Alle soorten › Zangvogels › Wielewalen › Wielewaal

Wielewaal | Oriolus oriolus

Eurasian Golden Oriole | Oropéndola Europea

De wielewaal is een Palearctische trekvogel die de noordelijke winter doorbrengt in het bosveld van zuidelijk Afrika. Hier is hij veel stiller dan in de Europese broedgebieden en houdt hij zich verscholen in het blad van hoge bomen; de meeste waarnemingen betreffen groenige vrouwtjes en jonge vogels, niet de goudgele mannetjes.

Wielewaal (Oriolus oriolus)
Foto: Philippe Garcelon — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In Afrika meest stil, met een schorre, nasale kwèèk of mjèèh als roep. Vooral in februari en maart, voor de trek, zingen mannetjes soms het bekende fluitende dudelio of wie-la-wie-oo uit de boomkronen.

Luister: ZangXC1135170

Opname: João Ferreira Tomás — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

22–24 cm. Het volwassen mannetje is goudgeel met zwarte vleugels, een klein geel vlekje op de handpenndekveren en een zwarte staart met gele hoeken; alleen de teugels zijn zwart. Snavel donkerroze, oog rood. Het vrouwtje is geelgroen van boven, witachtig tot lichtgeel van onderen met fijne donkere lengtestreepjes en gele flanken en onderstaartdekveren; de vleugels zijn grijsbruin. Jonge vogels lijken op het vrouwtje, zijn sterker gestreept en hebben een donkere snavel; jonge mannetjes krijgen pas in hun tweede of derde jaar het volledige gele kleed.

Verwarrings­soorten

De Afrikaanse wielewaal Oriolus auratus heeft bij het mannetje een zwarte streep tot achter het oog en brede gele randen op de vleugel; vrouwtjes en jonge vogels zijn geler van onderen en zwakker gestreept. De maskerwielewaal Oriolus larvatus heeft een zwarte kop. Een gestreepte jonge wielewaal kan in vlucht aan een groengele specht of een buulbuul doen denken, maar de golvende vlucht en lange vleugels zijn typisch.

Leefgebied

Breedbladig bosveld, oeverbos en hoge bomen langs rivieren, vijgen en andere vruchtdragende bomen, ook in parken en tuinen. Eet insecten en veel vruchten; zoekt vaak vruchtdragende bomen op, samen met andere fruiteters.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Van november tot april in het noorden en oosten van het gebied: Zambia, Malawi, Zimbabwe, Mozambique, het noorden van Botswana, noordoostelijk Namibië en Angola, en in Zuid-Afrika vooral in Limpopo, Mpumalanga, Gauteng en KwaZulu-Natal. Schaars tot zeldzaam naar het westen en zuiden. Broedt in Europa, Noord-Afrika en West- en Centraal-Azië en overwintert grotendeels in Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek van december tot maart bij vruchtdragende vijgen en in hoog oeverbos, bijvoorbeeld in Kruger of langs de Zambezi. Let op de golvende vlucht en de gele staarthoeken; in februari en maart verraadt de zang de mannetjes.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; de Europese populatie is groot en ongeveer stabiel. In de overwinteringsgebieden spelen kap van bosveld en oeverbos een rol, maar de soort is flexibel in zijn keuze van boombestand.

Wetenschappelijke naam

Oriolus oriolus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Coracias oriolus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Oriolus werd in 1766 ingevoerd door Linnaeus. Oriolus is middeleeuws Latijn voor de Wielewaal; de naam is klanknabootsend en weerspiegelt de melodieuze roep van de Wielewaal. De soortnaam herhaalt de geslachtsnaam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zweden.