Alle soorten › Valkachtigen › Valken › Taitavalk
Taitavalk | Falco fasciinucha
Taita Falcon | Halcón Taita
De Taitavalk is een kleine, gedrongen valk met een grote kop, brede schouders en een korte staart, gebonden aan steile kloven en rotswanden. Het is een van de zeldzaamste en minst bekende valken van Afrika; in zuidelijk Afrika broedt slechts een handvol paren.
Geluid
Een hoog, schel kri-kri-kri-kri en een snel, scherp gekakel kek-kek-kek, hoger en dunner dan bij de slechtvalk. Vooral rond het nest en bij de balts te horen; buiten de broedtijd is de vogel stil.
Opname: David C. Moyer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 28 cm, opvallend compact, met vleugels die in zit bijna tot de staartpunt reiken. De bovendelen zijn donker leigrijs, de kruin en de baardstreep zwartachtig. Op de achterhals liggen twee roodbruine vlekken, gescheiden door een donkere middenstreep, het beste kenmerk van de soort. De keel en de wangen zijn wit, de rest van de onderdelen warm roodbruin met enkele fijne donkere streepjes. De washuid, de oogring en de poten zijn geel. Het vrouwtje is duidelijk groter dan het mannetje. Jonge vogels zijn bruiner op de bovendelen en sterker gestreept op de onderdelen. De vlucht is snel en krachtig, met stijve, snelle slagen, en doet eerder aan een kleine slechtvalk denken dan aan een boomvalk.
Verwarringssoorten
De Afrikaanse boomvalk (Falco cuvierii) heeft eveneens roodbruine onderdelen, maar is slanker en langvleugeliger, heeft een roodbruine in plaats van witte keel en mist de roodbruine nekvlekken. De slechtvalk (Falco peregrinus) is groter, heeft gebandeerde, niet roodbruine onderdelen en geen nekvlekken. De boomvalk (Falco subbuteo), een zomergast, heeft witte, zwaar gestreepte onderdelen met alleen roodbruine dijen en onderstaartdekveren. De roodkopsmelleken heeft een geheel roodbruine kruin en lichte, fijn gebandeerde onderdelen. Silhouet, witte keel en nekvlekken samen geven de doorslag.
Leefgebied
Diepe rivierkloven en steile rotswanden met richels en holten, meestal met open bosveld of rivierbos in de omgeving. Jaagt vanaf een hoge uitkijkpost of in hoge vlucht boven de kloof en slaat na een snelle duikvlucht kleine vogels in de lucht, vooral gierzwaluwen, bijeneters, duiven en spreeuwen. Broedt in een holte of op een beschutte richel in de wand, zonder nestmateriaal.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Zeer plaatselijk. Het bekendste bolwerk ligt in de Batoka-kloof onder de Victoriawatervallen op de grens van Zimbabwe en Zambia; verder enkele paren elders langs de Zambezi en in het oosten van Zimbabwe, en verspreide gevallen in Malawi en Mozambique. In Zuid-Afrika broedt een kleine populatie in de kloven van de noordelijke Drakensberg-escarpement in Limpopo en Mpumalanga, onder meer in de Blyderivierspoort. Daarbuiten versnipperd in Oost-Afrika, van Ethiopië en Zuid-Soedan via Kenia tot Tanzania.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
De Batoka-kloof onder de Victoriawatervallen biedt de beste kans: scan vanaf de rand de wanden en de lucht boven de kloof in de vroege ochtend en de late middag, wanneer de vogels jagen op gierzwaluwen. Let op een kleine, zeer compacte valk die met hoge snelheid door de kloof schiet. Broedt van augustus tot november; paren zijn dan het meest actief en het luidruchtigst.
Staat van instandhouding
Kwetsbaar op de wereldlijst, met een kleine en sterk versnipperde populatie van waarschijnlijk enkele honderden tot ruim duizend vogels. De oorzaken van de schaarste zijn niet helemaal duidelijk; concurrentie met en predatie door slechtvalk en lannervalk, verstoring van broedwanden, eierroof door verzamelaars en het gebruik van bestrijdingsmiddelen worden genoemd. In Zuid-Afrika geldt de soort als bedreigd.
Wetenschappelijke naam
Falco fasciinucha | Reichenow & Neumann, 1895
Reichenow & Neumann beschreef de soort in 1895 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Falco werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Falco is het Latijnse woord voor 'valk', mogelijk verwant aan falx, 'sikkel', naar de gebogen vorm van klauwen of vleugels. fasciinucha is nieuw-Latijn voor 'met een band op de nek', van fascia, 'band', en nucha, 'nek' — naar de roodbruine nekvlekken. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Taita, Kenia.

