Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Steppevorkstaartplevier
Steppevorkstaartplevier | Glareola nordmanni
Black-Winged Pratincole | Canastera Alinegra
De steppevorkstaartplevier broedt op de steppen van Oost-Europa en Centraal-Azië en overwintert vrijwel geheel in zuidelijk Afrika, waar hij in grote, rondzwervende groepen over graslanden trekt. Hij is een van de onvoorspelbaarste trekvogels van het gebied: zwermen van duizenden vogels kunnen na regen plotseling opduiken en even snel weer verdwijnen.
Geluid
Een scherp, tjirpend kik of kitti-kit, iets lager en minder rollend dan dat van de vorkstaartplevier; groepen roepen druk in vlucht.
Opname: Daniel Danckwerts — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
24–28 cm. Lijkt sterk op de vorkstaartplevier, maar is van boven donkerder olijfbruin, met weinig contrast tussen dekveren en slagpennen. De ondervleugeldekveren zijn geheel zwart en de armpennen missen een witte achterrand. De staart is minder diep gevorkt en reikt bij een zittende vogel niet tot de vleugelpunt; de poten zijn iets langer en de rode snavelbasis is kleiner. De keel is crème met een smalle zwarte omlijning, die in het winterkleed vaag en onderbroken is. Buik en stuit zijn wit.
Verwarringssoorten
De vorkstaartplevier Glareola pratincola heeft roodbruine ondervleugeldekveren (in tegenlicht ook donker), een smalle witte achterrand aan de armpennen, lichtere bovendelen met contrasterend donkere handpennen en een staart die tot of voorbij de vleugelpunt reikt. De rotsvorkstaartplevier Glareola nuchalis is veel kleiner en donkerder, met een witte nekstreep en rode poten.
Leefgebied
Open grasland, pas afgebrande of beregende velden, akkers en de randen van pannen en vleien. Jaagt als een zwaluw in de lucht op sprinkhanen, termieten en andere insecten, vaak hoog en in grote groepen, en foerageert ook lopend op de grond. Rust in dichte groepen op kale grond.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Vooral in het centrale deel van het gebied: Botswana (onder meer rond de Makgadikgadi-pannen en in het noorden), het noordoosten van Namibië, de Vrijstaat en Noordwest in Zuid-Afrika, en Zambia; schaarser en onregelmatig in Zimbabwe, Angola en de rest van Zuid-Afrika. Broedt van Roemenië en Oekraïne tot Kazachstan en het zuidwesten van Siberië en trekt door Oost-Afrika.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zwermen verschijnen vaak na zware regenbuien tussen december en februari, wanneer termieten en sprinkhanen uitvliegen. Let in vlucht op de volledig zwarte ondervleugel en het ontbreken van een witte achterrand: de roodbruine ondervleugel van de vorkstaartplevier lijkt in tegenlicht ook zwart, dus de achterrand en bij zittende vogels de staartlengte zijn de beste kenmerken.
Staat van instandhouding
Gevoelig. De broedpopulatie is sterk afgenomen door de omzetting van steppe in akkerland, veranderd graasbeheer en het gebruik van bestrijdingsmiddelen; in de overwinteringsgebieden spelen het verlies van grasland en het bespuiten van sprinkhanenzwermen mee.
Wetenschappelijke naam
Glareola nordmanni | Fischer von Waldheim, 1842
Fischer von Waldheim beschreef de soort in 1842 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Glareola werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Glareola is een Latijns verkleinwoord van glarea 'grind', naar de kale grindige grond waarop vorkstaartplevieren broeden. nordmanni eert de in Finland geboren zoöloog en ontdekkingsreiziger Alexander von Nordmann (1803–1866). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de steppen van zuidelijk Rusland.


