Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Spotleeuwerik

Spotleeuwerik | Mirafra cheniana

Melodious Lark | Alondra Melodiosa

De spotleeuwerik is een kleine, kortstaartige leeuwerik van het hoogveld, die je vrijwel alleen opmerkt door zijn zang. Hoog boven het grasland fladdert het mannetje minutenlang ter plaatse en vult de lucht met een stroom nagebootste geluiden van andere vogels. Het is een bijna-endemische soort van Zuid-Afrika.

Spotleeuwerik (Mirafra cheniana)
Foto: Bruno - Yolande Zanette — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een lange, snelle stroom van tsjilpende tonen en nagebootste roepen en zangfragmenten van andere vogels, zoals piepers, graszangers, wida's en andere leeuweriken, afgewisseld met een eigen tsjie-tsjie-tsjie. De zang wordt gegeven in een hoge fladdervlucht die minutenlang kan duren, soms ook vanaf een graspol of een lage paal.

Luister: RoepXC1069415

Opname: Dawie de Swardt — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12 cm. Klein en gedrongen, met een korte, stevige snavel en een korte staart. De bovendelen zijn bruin met zwarte streping en lichte veerranden; de wenkbrauwstreep is breed en wit tot lichtbeige. De keel is wit, de borst beige met fijne donkere streepjes aan de zijkanten, de buik witachtig. De vleugels tonen een roodbruin paneel, en de buitenste staartpennen zijn wit, wat binnen de Mirafra-achtige leeuweriken ongewoon is. De sexen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De musleeuwerik Mirafra passerina is groter, leeft in savanne en zingt een eentonig, steeds herhaald deuntje in plaats van een gevarieerde imitatiestroom. De sporenleeuwerik Heteromirafra ruddi heeft een lichte kruinstreep, een nog kortere staart zonder wit, en zingt een korte fluitstrofe. De ratelleeuwerik Amirafra rufocinnamomea en de oostelijke klapperleeuwerik Corypha fasciolata klapperen met de vleugels in de zangvlucht. De tinktinkgraszanger Cisticola textrix en de dwerggraszanger Cisticola ayresii zingen ook hoog boven hetzelfde grasland, maar zijn veel kleiner met dunne snavels.

Leefgebied

Open, goed ontwikkeld grasland van het hoogveld, vooral met rood gras (Themeda triandra) en een afwisseling van hogere en lagere pollen; ook in oude, verwilderde akkers en licht begraasd weiland. Mijdt zwaar begraasd en sterk verbost terrein.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vrijwel endemisch in Zuid-Afrika: de graslanden van de Vrijstaat, Gauteng, Mpumalanga, Noordwest, het binnenland van KwaZulu-Natal en het noordoosten van de Oost-Kaap, met uitlopers naar de Noord-Kaap. Daarnaast in Lesotho, het zuidoosten van Botswana en plaatselijk in Zimbabwe.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Ga van oktober tot februari in de ochtend naar ongestoord grasland van het hoogveld en luister hoog in de lucht. De zang klinkt als een verzameling andere vogels, maar komt van één stipje dat lang op dezelfde plek fladdert. Als hij landt, let dan op de witte buitenste staartpennen en de brede witte wenkbrauw.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, na eerder als gevoelig te zijn aangemerkt. De soort is plaatselijk algemeen, maar grasland op het hoogveld gaat verloren door akkerbouw, bosbouw, mijnbouw en verstedelijking, en ook overbegrazing maakt terrein ongeschikt.

Wetenschappelijke naam

Mirafra cheniana | Smith, 1843

Smith beschreef de soort in 1843 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Mirafra werd in 1821 ingevoerd door Horsfield. De herkomst van Mirafra is onbekend; Horsfield gaf geen verklaring, en volgens Jobling is het waarschijnlijk een woord uit een inheemse taal, al is het geen bekende Javaanse naam. cheniana is volgens Jobling mogelijk een plaatsnaam, naar de Chenyane- of Tshwênyane-heuvels ten noorden van Zeerust (Zuid-Afrika); zeker is dat niet. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit niet vermeld; later Latakoo (bij Kuruman), Zuid-Afrika.