Alle soorten › Zangvogels › Buulbuuls › Slanke loofbuulbuul

Slanke loofbuulbuul | Phyllastrephus debilis

Lowland Tiny Greenbul | Bulbul Chico Costero

De slanke loofbuulbuul is de kleinste buulbuul van het gebied: een zangerachtig vogeltje met een grijze kop, olijfgroene rug en licht oog, dat in dicht laaglandbos en kuststruweel van Mozambique leeft. Hij is eerder te horen dan te zien; de snelle, ratelende zang uit het struikgewas is meestal het eerste teken.

Slanke loofbuulbuul (Phyllastrephus debilis)
Foto: Bart Wursten — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang is een snelle, droge ratel die abrupt begint, tsjip-tsjip-tsjrrrrrrrrr, vaak gevolgd door een paar hogere, kwetterende noten. De roep is een nasaal tsjèh en een droog tsjik.

Luister: ZangXC520538

Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13–14 cm. Klein en slank, met een vrij dunne, rechte snavel. Kop en nek zijn grijs, de rug, vleugels en staart olijfgroen, de staart met een gelige waas. De keel is vuilwit, de borst lichtgrijs, de buik en onderstaartdekveren lichtgeel. Het oog is opvallend licht, grijswit tot lichtgeel, wat het gezicht een starende uitdrukking geeft. De snavel is donker met een lichtere ondersnavel, de poten zijn grijs. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn groener op de kop en hebben een donkerder oog.

Verwarrings­soorten

Fischers loofbuulbuul Phyllastrephus fischeri is veel groter, bruiner, met een witte keel en een lange snavel. De gestreepte loofbuulbuul Phyllastrephus flavostriatus is veel groter, met een lange snavel en fijne gele streepjes op de borst, en slaat vaak met een vleugel. De grijze loofbuulbuul Phyllastrephus cerviniventris is groter en bruiner, met een roodbruine staart. Door formaat en gedrag lijkt hij ook op een zanger, maar het lichte oog en de grijze kop zijn doorslaggevend.

Leefgebied

Ondergroei en middelste etage van laagland- en kustbos, dicht struweel, oeverbos en de randen van droog groenblijvend bos; meest onder 800 m. Leeft in paren of groepjes, vaak in gemengde foerageergroepen, en zoekt zangerachtig tussen het blad naar insecten; eet ook kleine vruchten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Mozambique algemeen in het laagland van het midden: vooral in Sofala (onder meer Gorongosa, Cheringoma, Dondo) en het oosten van Manica, noordwaarts tot in Zambézia en verder langs de noordelijke kust, zuidwaarts tot in het noorden van Inhambane. In Zimbabwe schaars in het laaglandbos van het uiterste oosten (Haroni-Rusitu). Daarbuiten langs de kust van Oost-Afrika tot het zuidoosten van Kenia.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. Een goede plek is het laaglandbos van Sofala, bijvoorbeeld rond Gorongosa en in de Cheringoma-bossen, en in Zimbabwe het Haroni-Rusitu-gebied. Luister naar de ratelende zang en zoek dan in het middelhoge gebladerte naar een klein vogeltje met een grijze kop en een licht oog.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in geschikt habitat vrij algemeen. Kap en afbranden van laaglandbos en kuststruweel in Mozambique, en in Zimbabwe het verlies van het laatste laaglandbos, vormen plaatselijk een bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Phyllastrephus debilis | (Sclater, 1899)

Sclater beschreef de soort in 1899 als Xenocichla debilis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phyllastrephus werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Phyllastrephus komt van het Griekse phullon, 'blad', en een vorm van strephō, 'omkeren' — 'bladomdraaier', naar het zoeken naar insecten tussen het gebladerte. debilis is Latijn voor 'zwak, tenger' — naar het kleine, fijne postuur van deze loofbuulbuul. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit ten noorden van Inhambane, Mozambique.