Alle soorten › Zangvogels › Afrikaanse zangers › Roodkapkrombek

Roodkapkrombek | Sylvietta ruficapilla

Red-Capped Crombec | Crombec Orejirrufo

De roodkapkrombek is de krombek van het miombo van Angola en Zambia: een grijs, stompstaartig vogeltje met een roestbruine kap of roestbruine wangen, dat meereist met de gemengde groepen die door het bosveld trekken. Ten zuiden van de Zambezi wordt hij vrijwel volledig vervangen door de Kaapse krombek.

Roodkapkrombek (Sylvietta ruficapilla)
Foto: Maans Booysen, Birding Weto — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een snelle, hoge en herhaalde reeks heldere noten, zoals tsirri-tsirri-tsirri of tswi-tswi-tswi-tsweet, met een meer zingende, minder rollende klank dan bij de Kaapse krombek. Contactroep een droog tsik. Zingt vooral aan het eind van de droge tijd, als het broedseizoen begint.

Luister: ZangXC585191

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10–11 cm. Bovenzijde asgrijs, vleugels grijsbruin. Kruin en oorstreek roestbruin tot kastanjebruin, maar de omvang verschilt per ondersoort: bij sommige vogels is de hele kruin rood, bij andere alleen het voorhoofd en de wangen. Keel wit, borst met een roestkleurig tot okerkleurig waas, buik bleekgeel tot witachtig. De staart is zeer kort. De snavel is vrij kort, recht en spits, korter dan bij de Kaapse krombek. Poten roze-bruin. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De Kaapse krombek Sylvietta rufescens heeft een grijze kruin, een donkere oogstreep met lichte wenkbrauw, een duidelijk langere, licht gebogen snavel en een geheel kaneelkleurige onderzijde. De roodteugelkrombek Sylvietta whytii, in het oosten, heeft een grijze kruin met alleen een roestbruin gezicht en een egaal roestbeige onderzijde zonder witte keel. De groenkaperemomela Eremomela scotops en de geelbuikeremomela Eremomela icteropygialis hebben een langere staart en geen rood op de kop; de roesthalseremomela Eremomela usticollis heeft een roestbruine vlek op keel en achterhals, niet op de kruin.

Leefgebied

Miombo en ander breedbladig bosveld, vooral goed ontwikkeld bos met gesloten kronen, ook bosranden en verbossende open plekken. Foerageert door het blad en langs takken in de middelste en hogere lagen, meestal in paren of als deel van gemengde groepen met eremomela's, mezen en vliegenvangers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het miombo van midden en oostelijk Angola en vrijwel geheel Zambia, met randvoorkomen in het westen van Malawi; in Zimbabwe en Mozambique hooguit marginaal. Daarbuiten in het zuiden van DR Congo en Congo-Brazzaville en in het westen van Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best te vinden door in het miombo van Zambia, bijvoorbeeld in Kafue of rond Lusaka en de Copperbelt, een gemengde groep te volgen en te luisteren naar de heldere, snelle reeks. Let op de rode kop en de korte snavel om hem van de Kaapse krombek te onderscheiden, die in het zuiden en westen van Zambia op dezelfde plekken kan zitten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in miombo algemeen. Grootschalige kap van miombo voor houtskool en landbouw vermindert lokaal het leefgebied, maar de soort is wijdverbreid en er is geen duidelijke achteruitgang bekend.

Wetenschappelijke naam

Sylvietta ruficapilla | Bocage, 1877

Bocage beschreef de soort in 1877 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sylvietta werd in 1839 ingevoerd door De Lafresnaye. Sylvietta is een verkleinvorm van Sylvia (grasmus), naar het Franse sylviette, 'grasmusje' — naar de kleine, bijna staartloze krombekken. ruficapilla komt van het Latijnse rufus, 'roodbruin', en capillus, 'hoofdhaar' — naar de roodbruine kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Caconda, Angola.