Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Roethoningzuiger

Roethoningzuiger | Cinnyris fuscus

Dusky Sunbird | Suimanga Oscuro

De roethoningzuiger is de honingzuiger van de droge westelijke helft van het gebied: karoo, Namib-rand en Kalahari. Het mannetje is roetzwart met een witte buik en oranje okselpluimen; het vrouwtje is een van de kaalste, meest ongetekende honingzuigers van de regio.

Roethoningzuiger (Cinnyris fuscus)
Hoofdfoto · Foto: Ragnhild&Neil Crawford from Sweden — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een snel, luid en melodieus gezang van rollende en tjilpende noten, tsjirri-tsjirri-tsjirri, vaak met ingelaste imitaties. De roep is een hard tsjek of een droog ratelend alarm.

Luister: ZangXC892939

Opname: Bram Vogels — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

10 tot 12 cm, met een korte, gebogen zwarte snavel. Het mannetje in broedkleed heeft kop, keel, bovendelen en borst dof zwartbruin met een zwakke bronsgroene glans, een zuiver witte buik waarop het zwart onregelmatig uitloopt, en heldere oranje okselpluimen aan de borstzijden. Buiten de broedtijd is het mannetje grotendeels grijsbruin met een zwarte streep midden over keel en borst, en tussenkleden met zwarte vlekken zijn gewoon. Het vrouwtje is lichtgrijsbruin boven en vuilwit onder, vrijwel zonder tekening, met een donkere staart; jongen lijken erop maar zijn iets gelig onder.

Verwarrings­soorten

Het mannetje van de Maricohoningzuiger (Cinnyris mariquensis) heeft een zwarte buik en een metaalgroene kop en rug, geen witte buik. De witbuikhoningzuiger (Cinnyris talatala) heeft een witte buik maar een metaalgroene kop en een paarse borstband. Het vrouwtje van de kleine kraaghoningzuiger (Cinnyris chalybeus) is olijfkleuriger en donkerder grijs onder dan het bleke, zandkleurige vrouwtje van de roethoningzuiger. In de westelijke karoo is de roethoningzuiger meestal de enige honingzuiger met een witte buik.

Leefgebied

Droge struiksavanne, karooveld, rotsige hellingen met aloë's, droge rivierbeddingen met acacia's, de rand van de Namib en tuinen in dorpen in droog gebied. Volgt de bloei van aloë's, Lycium, mistletoe en uitheemse planten, en eet daarnaast veel insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Bijna-endemisch voor het westen van het gebied: vrijwel heel Namibië (op de kaalste delen van de Namib na), het zuidwesten en midden van Botswana, de Noord-Kaap, het noorden en binnenland van de West-Kaap (Namakwaland, Tankwa-Karoo) en de westelijke Oost-Kaap; zwerft soms verder oostwaarts. Ook in het zuidwesten van Angola. Daarbuiten niet.

  • Jaarrond
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Namibië is de soort in Windhoek en in de rustkampen van Etosha gewoon in tuinen met bloeiende struiken. In de Kaapse karoo zijn bloeiende aloë's in de winter de beste plek. Omdat de soort zwerft, kan ze op een plek maandenlang ontbreken en daarna ineens talrijk zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen binnen een groot, dun bevolkt areaal; aanplant van tuinen en uitheemse bloemen in droge dorpen biedt extra voedsel. Er zijn geen aanwijzingen voor achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Cinnyris fuscus | Vieillot, 1819

Vieillot beschreef de soort in 1819 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cinnyris werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Cinnyris gaat terug op het Griekse kinnuris, de naam van een klein vogeltje dat de lexicograaf Hesychius noemt maar dat niet nader te thuisbrengen is. fuscus is Latijn voor 'donker, bruinzwart', naar de donkere bovenzijde en keel van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Groot-Namakwaland, Namibië.