Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Roestflankprinia
Roestflankprinia | Prinia subflava
Tawny-Flanked Prinia | Prinia Modesta
De roestflankprinia is de algemene prinia van het noordelijke en oostelijke deel van het gebied: een bruine, langstaartige zanger met een witte wenkbrauwstreep, roestbruin omrande vleugels en okerkleurige flanken. Hij houdt de staart vaak rechtop en roept luid vanuit ruigte, tuinen en rietranden. Het is een van de eerste zangers die een bezoeker in de savanne leert kennen.
Geluid
Zeer vocaal. De zang is een snel herhaalde, luide reeks, sbrrp-sbrrp-sbrrp of tsjiep-tsjiep-tsjiep, vanuit een uitkijkpost met de staart rechtop. De alarmroep is een nasaal, zeurend tsjeeuw en een droog, knisperend zzzt, vaak lang herhaald wanneer een slang of een indringer wordt bespied.
Opname: Bernard BOUSQUET — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
11–14 cm, waarvan ongeveer de helft staart. De bovendelen zijn warm grijsbruin, de slagpennen breed roestbruin omrand, wat een roestige vleugel geeft. Er is een duidelijke witte wenkbrauwstreep en een donkere teugel. De onderzijde is wit tot crème, met warm okerbruine tot roestbeige flanken en onderstaartdekveren; de borst is ongestreept. De lange, getrapte staart heeft donkere vlekken voor de lichte punten, die bij het spreiden zichtbaar worden. De iris is lichtbruin tot oranjebruin, de snavel donker, de poten roze. De seksen zijn gelijk; in het niet-broedkleed zijn bovenzijde en flanken warmer getint en is de staart iets langer. Jonge vogels zijn geliger van onderen.
Verwarringssoorten
De zwartborstprinia Prinia flavicans van de droge westelijke savanne heeft ook buiten de broedtijd, zonder borstband, een duidelijk gele onderzijde en mist de roestige vleugelranden. De Karooprinia Prinia maculosa en de Drakensbergprinia Prinia hypoxantha hebben een gestreepte keel en borst. De roodvleugelprinia Prinia erythroptera heeft egaal roestrode vleugels zonder witte wenkbrauwstreep en leeft in hoog gras in bosveld. Roberts' prinia Oreophilais robertsi van de Oostelijke Hooglanden is grijs met een lichte iris. Graszangers hebben een kortere staart, meestal een gestreepte rug en geen witte wenkbrauw. Witte wenkbrauw, roestige vleugel en okerkleurige flanken op een ongestreepte vogel zijn kenmerkend.
Leefgebied
Ruigte en hoog gras met struiken aan bosranden, langs rivieren, vleien en dammen, verwilderde akkers, randen van suikerriet en maïs, dichte tuinen en parken, en struweel in savanne en bosveld. Ontbreekt in open grasland zonder struiken en in echt droog gebied. Foerageert laag in de begroeiing op insecten, meestal in paren of familiegroepjes.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Binnen het gebied wijdverspreid in Angola (behalve het droge zuidwesten), Zambia, Malawi, Mozambique en Zimbabwe, in het noorden en oosten van Botswana (Okavango, Chobe en het oosten), in het noordoosten van Namibië (Kavango en de Zambezi-regio), in Eswatini, en in Zuid-Afrika in Limpopo, Mpumalanga, Gauteng, KwaZulu-Natal en het oosten van de Oost-Kaap. Ontbreekt in de droge westelijke helft van het gebied en in Lesotho. Daarbuiten over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Jaarrond en overal in zijn areaal algemeen. Luister in ruigte langs water naar het herhaalde sbrrp-sbrrp; de zanger zit vaak bovenop een struik of grasstengel met de staart rechtop en is dan goed te bekijken. De roestige vleugels zijn in de vlucht het beste herkenningspunt.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Een van de algemeenste zangers van het gebied, die goed gedijt in door de mens veranderde landschappen zoals tuinen, akkerranden en verwilderde grond.
Wetenschappelijke naam
Prinia subflava | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Motacilla subflava; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Prinia werd in 1821 ingevoerd door Horsfield. Prinia komt van prinya, de Javaanse naam voor Prinia familiaris, de prinia van dat eiland. subflava is Latijn voor 'geelachtig', naar de lichtgele onderdelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.


