Alle soorten › Zangvogels › Tsjagra's en bosklauwieren › Reichenows bosklauwier

Reichenows bosklauwier | Chlorophoneus nigrifrons

Black-Fronted Bushshrike | Bubú Frentinegro

Reichenows bosklauwier is een kleurrijke maar schuwe bosklauwier van het bergbos en nevelwoud in het oosten van het gebied. Net als de veelkleurige bosklauwier heeft hij verschillende kleurtypen van de onderzijde, en zoals bij alle bosklauwieren in de kronen is hij veel vaker te horen dan te zien. In zuidelijk Afrika bereikt hij de zuidgrens van zijn areaal.

Reichenows bosklauwier (Chlorophoneus nigrifrons)
Foto: Francesco Veronesi — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Het mannetje laat een lage, herhaalde reeks fluittonen horen, hoe-hoe of wiep-wiep, en een zacht, vloeiend oe-wiep. Het vrouwtje antwoordt met een droog, raspend tsjrrrr dat in sterkte aanzwelt. Beide roepen zijn buikspreekachtig en komen uit de hoge kronen.

Luister: RoepXC703355

Opname: isaac kilusu — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–19 cm. Het mannetje heeft een zwart voorhoofd en een zwart masker door het oog, een grijze kruin en nek, en een groene rug, vleugels en staart, de staart met gele punten. Keel en onderdelen zijn naargelang het kleurtype geel met een oranjerode borst, geheel geel, okerkleurig of, zeldzaam, zwartachtig; de zuidelijke vogels hebben meestal een gele keel en een oranje tot rode borst. Het vrouwtje mist het zwarte voorhoofd, heeft een grijs gezicht en een bleker gele onderzijde met hooguit een oranje waas. Jonge vogels zijn groen van boven en bleek groengeel van onderen met fijne bandering.

Verwarrings­soorten

De olijfgroene bosklauwier Chlorophoneus olivaceus, die in dezelfde bossen leeft, heeft geen zwart voorhoofd; het roestbruine type heeft een witte teugel en een okerkleurige borst, het olijfgroene type een groene kop. De oranje bosklauwier Chlorophoneus sulfureopectus heeft een geel voorhoofd en gele wenkbrauwstreep en leeft in open bosveld. De spookklauwier Malaconotus blanchoti is veel groter, met een zware snavel en een geel oog. Het vrouwtje lijkt op het vrouwtje van de olijfgroene bosklauwier, maar mist de witte teugel.

Leefgebied

Groenblijvend bergbos en nevelwoud met hoge bomen, van ongeveer 900 tot 2000 m, soms ook hoog oeverbos in de heuvels. Foerageert in het bladerdak op insecten, vaak in gemengde groepen, en komt zelden laag.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika alleen in de bergbossen van het escarpement in Limpopo en Mpumalanga, zoals in Magoebaskloof en rond Graskop. Verder in de oostelijke hooglanden van Zimbabwe, in bergbos in Mozambique, in de hooglanden van Malawi en in het noorden van Zambia. Daarbuiten in het zuidoosten van de Democratische Republiek Congo en van Tanzania noordwaarts tot de bergen van centraal Kenia.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De beste plekken in zuidelijk Afrika zijn het Woodbush-bos en Magoebaskloof in Limpopo en het Bvumba-gebergte in Zimbabwe. Luister naar het lage fluiten en het raspende antwoord en scan dan de hoogste kronen; de vogel zit vaak lang stil. In gemengde groepen komt hij soms iets lager.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd. In zuidelijk Afrika is het leefgebied klein en versnipperd, en de soort is daar plaatselijk schaars en kwetsbaar voor het verlies van inheems bergbos, onder meer door plantages van uitheemse bomen.

Wetenschappelijke naam

Chlorophoneus nigrifrons | (Reichenow, 1896)

Reichenow beschreef de soort in 1896 als Laniarius nigrifrons; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chlorophoneus werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Chlorophoneus komt van het Griekse khlōros, 'groen', en phoneus, 'moordenaar' — een groene klauwier, naar het rovende gedrag van klauwieren. nigrifrons komt van het Latijnse niger, 'zwart', en frons, 'voorhoofd' — naar het zwarte voorhoofd van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Marangu, Kilimanjaro, Tanzania.