Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Purperastrild

Purperastrild | Pyrenestes ostrinus

Black-Bellied Seedcracker | Estrilda Piquigorda Ventrinegra

De purperastrild is een grote, schuwe astrild van de Centraal-Afrikaanse bossen, die met een massieve snavel harde zaden kraakt. Het gebied ligt aan de zuidrand van zijn areaal: de soort komt alleen in het noorden van Angola en het noordwesten van Zambia voor.

Purperastrild (Pyrenestes ostrinus)
Foto: jrfell — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een scherp, metalig tsjiek of pienk, en een zachte zang met trillers en piepjes. Meestal gehoord voordat de vogel gezien wordt.

Luister: ZangXC856381

Opname: Jaap van der Waarde — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13 tot 15 cm, met een zeer zware, glanzend staalblauwe tot zwarte snavel. Het mannetje is karmijnrood op kop, keel, borst, flanken, stuit en staart; de rest van het lichaam, van rug tot buik, is zwart. Het vrouwtje heeft een rode kop, borst en stuit, maar is verder bruin in plaats van zwart. Jonge vogels zijn egaal bruin, met hooguit een roodachtige staart. De snavelgrootte varieert sterk tussen individuen, wat samenhangt met de hardheid van de zaden die ze eten.

Verwarrings­soorten

De roodkopblauwsnavel (Spermophaga ruficapilla) in het noorden van Angola heeft een rood gezicht en borst, maar een leigrijze tot zwarte rug en een blauwe snavel met rode punt; het vrouwtje heeft witte stippen op een grijze buik. De granta-astrild (Pyrenestes minor) is kleiner en olijfbruin met minder rood, en komt alleen in het oosten van het gebied voor, zonder overlap.

Leefgebied

Dichte vegetatie aan bosranden, galerijbos, moerasbos en ruige zegge- en grasvegetatie langs beken en moerassen, ook in secundair struikgewas en verlaten akkers in bosgebied. Eet vooral harde zaden van zeggen en grassen, soms ook insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noorden en noordoosten van Angola (onder meer Cabinda, Uíge en de Lunda-provincies) en in het noordwesten van Zambia (vooral het district Mwinilunga). Verder in West- en Centraal-Afrika, van Ivoorkust tot Oeganda en het westen van Kenia, zuidwaarts tot Congo-Kinshasa.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In het noordwesten van Zambia zijn de oevervegetatie en moerasbosranden rond Mwinilunga, zoals bij de bron van de Zambezi, de beste plek; ga vroeg op pad en luister naar het metalige roepje uit dicht struikgewas. Omdat de soort in het gebied zeldzaam en schuw is, is een goede waarneming van een mannetje een hoogtepunt.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Wijdverspreid in Centraal-Afrika, maar binnen het gebied schaars en slechts plaatselijk; houtkap en omzetting van moerasbosranden bedreigen de kleine populaties.

Wetenschappelijke naam

Pyrenestes ostrinus | (Vieillot, 1805)

Vieillot beschreef de soort in 1805 als Loxia ostrina; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Pyrenestes werd in 1836 ingevoerd door Swainson. Pyrenestes combineert het Griekse pyrēn, 'vruchtpit', met -estēs, 'eter' — naar de zware snavel waarmee deze vogels harde zaden kraken. ostrinus is Latijn voor 'purperrood', van ostrum, de purperverf uit de purperslak — naar het rood van kop en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit zuidelijke kust van Gabon.