Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Palmgier
Palmgier | Gypohierax angolensis
Palm-Nut Vulture | Buitre Palmero
De palmgier is een zwart-witte, arendachtige gier die grotendeels vegetarisch leeft: het vruchtvlees van oliepalmen en raffiapalmen vormt het hoofdbestanddeel van zijn menu. In Zuid-Afrika is het een zeldzaamheid met een kleine broedpopulatie in de raffiapalmen van de Zoeloelandkust.
Geluid
Meestal stil. Bij het nest en in de balts een laag, grommend pruk-kurr en een droog kwaken.
Opname: Louis A. Hansen — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
57–65 cm, spanwijdte 135–150 cm. Volwassen vogels zijn overwegend wit, met zwarte schouders, zwarte armpennen en een zwarte staart met een brede witte eindband. De handpennen zijn wit met zwarte toppen, wat in de vlucht een witte hand en een zwarte arm geeft. Rond het oog een kale oranjerode huid; de snavel is zwaar, geelachtig en arendachtig, de poten zijn vleeskleurig tot geel. Jonge vogels zijn egaal donkerbruin met een gele of grijsgele gezichtshuid en krijgen pas na drie tot vier jaar het witte kleed. De vlucht is krachtig, met snelle slagen afgewisseld door zweefstukken.
Verwarringssoorten
De Afrikaanse zeearend Icthyophaga vocifer heeft een witte kop en borst maar een kastanjebruine buik en vleugeldekveren en een witte staart. De aasgier Neophron percnopterus heeft een geel gezicht, een dunne snavel en een witte wigvormige staart. De witkopgier Trigonoceps occipitalis heeft een zwarte borst en een roze snavel met blauwe basis. Jonge palmgieren lijken op de jonge kapgier Necrosyrtes monachus, maar hebben een zwaardere snavel en bevederde kop.
Leefgebied
Kustbos, mangroven, lagunes en rivierdalen met oliepalmen of raffiapalmen; buiten de broedtijd ook langs kusten, meren en grote rivieren. Eet naast palmvruchten ook vis, krabben, weekdieren en aas. Broedt in een takkennest hoog in een boom, vaak dicht bij de palmen.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In Zuid-Afrika een kleine broedpopulatie bij Mtunzini en rond Kosi Bay in het noorden van KwaZoeloe-Natal; verder langs de kust van Mozambique, in het dal van de Zambezi, in Malawi en het noorden en westen van Zambia en wijdverspreid in Angola. Zwervende jonge vogels worden elders gezien, tot in de Oost-Kaap, het oosten van Zimbabwe en het noorden van Namibië en Botswana. Buiten het gebied door West- en Centraal-Afrika en langs de Oost-Afrikaanse kust tot Kenia.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Zuid-Afrika is het Raffia Palm-monument bij Mtunzini de klassieke plek: vroeg in de ochtend zitten de vogels in de toppen van de palmen of vliegen ze over het bos. Langs de kust van Mozambique zijn ze vooral bij estuaria met palmen te vinden. Let op het contrast van witte hand en zwarte arm in de vlucht.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en in West- en Centraal-Afrika plaatselijk algemeen dankzij oliepalmplantages. In Zuid-Afrika is de soort zeldzaam door de kleine populatie en het beperkte areaal van raffiapalmen; bescherming van deze palmbestanden is voor haar voortbestaan in het land noodzakelijk.
Wetenschappelijke naam
Gypohierax angolensis | (Gmelin, 1788)
Gmelin beschreef de soort in 1788 als Falco angolensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Gypohierax werd in 1836 ingevoerd door Rüppell. Gypohierax komt van het Griekse gups, 'gier', en hierax, 'havik' — een vogel die het midden houdt tussen gier en arend. angolensis betekent 'uit Angola', waar het eerste exemplaar vandaan kwam. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Angola.


