Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Oostelijke miombohoningzuiger
Oostelijke miombohoningzuiger | Cinnyris manoensis
Eastern Miombo Sunbird | Suimanga del Miombo Oriental
De oostelijke miombohoningzuiger is de kraaghoningzuiger van het miombo van Zimbabwe, Mozambique, Malawi en Oost-Zambia. In oudere gidsen heet hij miombokraaghoningzuiger, samen met de westelijke soort; in Zimbabwe is hij een gewone tuinvogel, ook in Harare.
Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.
Geluid
Een hard, metalig tsjik of tsjit-tsjit. De zang is luider, trager en minder rammelend dan bij de westelijke soort, met doordringende gefloten noten tussen het gekwetter, tsjiwi-tsjiwi-tsi-tsi-swie, en draagt ver.
Opname: Catriona Leven — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
13 tot 14 cm, langer van lijf en zwaarder van snavel dan de westelijke soort. Het mannetje is metaalgroen met een iets blauwe zweem, de bovenstaartdekveren zijn blauwviolet. Onder de groene keel volgt een smalle blauwe lijn en een brede scharlakenrode borstband; de buik is grijs tot grijsolijf. Gele okselpluimen zijn meestal verborgen en worden bij het baltsen getoond. Het vrouwtje is effen grijs tot grijsbruin boven en lichtgrijs onder, zonder duidelijke streping. Jonge vogels zijn grijzer met een gelige keel.
Verwarringssoorten
De westelijke miombohoningzuiger (Cinnyris gertrudis) is kleiner en korter van lijf, egaler groen, met grijze bovenstaartdekveren en een smallere rode band; de zang eindigt in een dalende triller. De grote kraaghoningzuiger (Cinnyris afer) is groter, met een nog bredere rode band en langere snavel, en komt in het gebied vrijwel nergens samen met deze soort voor. Fülleborns honingzuiger (Cinnyris fuelleborni) leeft in bergbos boven het miombo in Malawi en Noord-Mozambique. De Maricohoningzuiger (Cinnyris mariquensis) en purperbandhoningzuiger (Cinnyris bifasciatus) hebben een donkere buik en een paarse, niet rode borstband.
Leefgebied
Miombo en ander bosveld met Brachystegia, bij voorkeur op rotsige heuvels, kopjes en escarpementen met struweel, en daarnaast bosranden, plantages en tuinen met aloë's en andere nectarplanten. Bezoekt bloeiende aloë's, maretakken en koraalbomen en vangt veel insecten.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In Zimbabwe over het centrale plateau en de oostelijke hooglanden, in het centrum en noorden van Mozambique, in grote delen van Malawi en in Oost-Zambia ten oosten van de Muchinga-escarpement. Daarbuiten in het zuiden en westen van Tanzania.
- Jaarrond
- Wintergast (ca. apr–sep)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
In Zimbabwe meestal te zien in tuinen van Harare en in de Matobo-heuvels en de oostelijke hooglanden, vooral in de droge winter wanneer de aloë's bloeien. In Malawi in miombo op heuvels rond Dedza en Zomba. Let op de blauwviolette bovenstaartdekveren en de brede band om de westelijke soort uit te sluiten waar beide mogelijk zijn.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Algemeen en stabiel over een groot gebied en goed aangepast aan tuinen en aangetast bosland, al gaat het miombo zelf in veel streken achteruit door houtkap en omzetting naar landbouwgrond.
Wetenschappelijke naam
Cinnyris manoensis | Reichenow, 1907
Reichenow beschreef de soort in 1907 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Cinnyris werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Cinnyris gaat terug op het Griekse kinnuris, de naam van een klein vogeltje dat de lexicograaf Hesychius noemt maar dat niet nader te thuisbrengen is. manoensis verwijst naar Mano, het gebied ten westen van het Malawimeer waar het eerste exemplaar werd verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Missale, gebied Mano, ten westen van het Malawimeer.


