Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Oostelijke klapperleeuwerik
Oostelijke klapperleeuwerik | Corypha fasciolata
Eastern Clapper Lark | Alondra Aplaudidora Oriental
De oostelijke klapperleeuwerik is een gedrongen, roestkleurige leeuwerik die je meestal pas opmerkt als hij baltst: een steile vlucht omhoog onder een ratelend geklap van de vleugels, bovenin een lange stijgende fluittoon en dan een parachutedaling met hangende poten. Pas sinds de splitsing van de klapperleeuwerik geldt hij als aparte soort; het onderscheid met de Kaapse vorm berust vooral op de balts.
Geluid
De balts is het kenmerk: de vogel stijgt schuin op onder een snel, gelijkmatig vleugelgeklap, een droog prrrrrt, en laat bovenin een lange, opgaande fluittoon horen, poeoeoeieee, waarna hij met gespreide vleugels en hangende poten naar beneden zweeft. Dit herhaalt zich soms tientallen keren achter elkaar, vooral bij zonsopkomst en tegen de avond, en ook bij maanlicht. Buiten de balts meestal stil.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
14–16 cm. Compact, met een korte staart en een tamelijk krachtige, iets gebogen snavel. De bovendelen zijn warm roodbruin met fijne donkere en bleke bandering en schubben; kruin roestbruin met donkere streepjes, een bleke wenkbrauwstreep. De slagpennen zijn opvallend rossig, wat in vlucht een warme vleugel geeft. De onderdelen zijn diep okerkleurig tot kaneel, met fijne donkere vlekjes op de borst en een lichte keel. Seksen gelijk. Bij onraad drukt hij zich tegen de grond of rent weg tussen de pollen; aan de grond is hij onopvallend en zelden lang in beeld.
Verwarringssoorten
De klapperleeuwerik Corypha apiata van de westelijke en zuidwestelijke Kaap en de Karoo is kleiner, met een donkerdere, slankere snavel, sterker gebandeerde bovendelen en overwegend grijsbruine in plaats van roestkleurige slagpennen; zijn vleugelgeklap versnelt tijdens de balts, terwijl dat van de oostelijke klapperleeuwerik gelijkmatig blijft. In de smalle contactzone in de oostelijke Karoo en de Oost-Kaap is determinatie zonder balts vaak niet mogelijk. De ratelleeuwerik Amirafra rufocinnamomea van bosveld en miombo baltst hoog en langdurig met korte salvo's vleugelgeroffel, maar zonder fluittoon. De roodnekleeuwerik Corypha africana is groter, met een kuifje en zingt van een paaltje of struik.
Leefgebied
Open, droge graslanden en grasvlakten met verspreide lage struiken, Kalahari-savanne op zand, en de grazige randen van de oostelijke Karoo. Mijdt dicht bos en hoog, gesloten gras. Foerageert op de grond op insecten en zaden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Bijna-endemisch voor zuidelijk Afrika. In Zuid-Afrika van de Oost-Kaap en de oostelijke Karoo door de Vrijstaat en de oostelijke Noord-Kaap naar de Noordwest-provincie en plaatselijk in Mpumalanga, Gauteng en het binnenland van KwaZulu-Natal; ook in de laaglanden van Lesotho. Verder in de Kalahari van Botswana en in het oosten van Namibië. Buiten het gebied alleen in het zuidwesten van Zambia.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Ga in de zomermaanden bij helder, windstil weer vlak na zonsopkomst of in het laatste uur voor zonsondergang naar open grasveld of Kalahari-savanne en luister naar het droge vleugelgeratel gevolgd door de stijgende fluittoon. Let op de roestkleurige vleugels in de dalende vlucht. In de overgangszone met de klapperleeuwerik: tel mee hoe het geklap verloopt, gelijkmatig of versnellend, en noteer de plek.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; op veel plaatsen algemeen. Overbegrazing en verbossing van grasland en de omzetting in akkers kunnen plaatselijk tot achteruitgang leiden, maar het verspreidingsgebied is groot en grotendeels stabiel.
Wetenschappelijke naam
Corypha fasciolata | (Sundevall, 1850)
Sundevall beschreef de soort in 1850 als Alauda fasciolata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Corypha werd in 1840 ingevoerd door Gray. Corypha gaat terug op het Griekse koruphos, een onbekende vogel die Hesychius van Alexandrië noemt en die doorgaans voor een leeuwerik wordt gehouden. fasciolata komt van het Latijnse fasciola, 'bandje' — naar de fijne dwarsbandering op de bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit binnenland ten noorden van de Vaal, Zuid-Afrika.

