Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Noordse stern

Noordse stern | Sterna paradisaea

Arctic Tern | Charrán Ártico

De noordse stern maakt de langste jaarlijkse trek van alle dieren: van de broedgebieden rond de Noordpool naar het pakijs van Antarctica en terug. Grote aantallen passeren de kust van zuidelijk Afrika, meestal ver op zee; aan land zijn het vooral uitgeputte of onvolwassen vogels die tussen de visdiefjes rusten.

Noordse stern (Sterna paradisaea)
Foto: Jaan Rebane — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een hoog, gerekt en kortaf kriii-ah, hoger en scherper dan dat van de visdief, en een droog ratelend kt-kt-kt bij opwinding; in het gebied weinig te horen.

Luister: VluchtroepXC1168680

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 35 cm, slank, met een kleine ronde kop, een korte snavel, zeer korte rode poten en lange staartpennen. In het kleed dat de meeste vogels hier dragen is het voorhoofd wit, de achterkruin zwart en de snavel donker; in maart en april verschijnen adulte vogels in broedkleed met een volledig zwarte kap, bloedrode snavel en grijze onderdelen die een witte wangstreep laten zien. In vlucht zijn alle handpennen van onderen doorschijnend, met alleen een smalle, scherpe zwarte achterrand; de vleugels staan ver naar achteren op het lichaam. Onvolwassen vogels hebben een wittere binnenvleugel en een minder donkere voorvleugelrand dan jonge visdieven.

Verwarrings­soorten

De visdief (Sterna hirundo) heeft een langere snavel, langere poten en een plattere kop; van onderen zijn alleen de binnenste handpennen doorschijnend en is de zwarte achterrand breder en vager. De Antarctische stern (Sterna vittata) is in de winter hier juist in broedkleed, met rode snavel en poten, en is steviger gebouwd. De Dougalls stern (Sterna dougallii) is bleker, met een langere zwarte snavel en zeer lange witte staartpennen.

Leefgebied

Vooral open zee boven het continentale plat en daarbuiten, waar de vogels in groepen doortrekken en boven scholen vis foerageren. Aan land op zandstranden, rotsige kusten en lagunes, meestal tussen visdiefjes; zeer zelden landinwaarts.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Trekt langs de hele westkust, van Angola via Namibië naar de West-Kaap, en in mindere mate langs de zuid- en oostkust; de meeste vogels blijven buiten het zicht van land. Verspreide gevallen landinwaarts, vooral na zware storm. Broedt rond de Noordpool in Europa, Azië en Noord-Amerika en brengt de noordelijke winter door in de wateren rond Antarctica.

  • Jaarrond
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Pelagische tochten vanuit Kaapstad en Walvisbaai in oktober en november of in maart en april leveren vaak groepen op. Vanaf de kust het best bij krachtige westenwind vanaf een uitstekende kaap, of op de rustplaatsen van visdiefjes, waar een enkele noordse stern opvalt door de korte poten en de kleine ronde kop.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De wereldpopulatie telt ruim een miljoen vogels, maar in delen van het broedgebied lopen aantallen terug door voedseltekort, veranderingen in het zeeklimaat en predatie. Voor de lange trek is de soort afhankelijk van rijke voedselgebieden onderweg, zoals de koude Benguelastroom.

Wetenschappelijke naam

Sterna paradisaea | Pontoppidan, 1763

Pontoppidan beschreef de soort in 1763 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Sterna werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Sterna gaat terug op het Oudengelse stearn, dat voorkomt in het gedicht The Seafarer; de Friezen gebruikten een verwant woord voor sterns. paradisaea is laat-Latijn voor 'van het paradijs', van paradisus 'paradijs'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Christiansø in Denemarken.