Alle soorten › Pinguïns › Pinguïns › Noordelijke rotspinguïn

Noordelijke rotspinguïn | Eudyptes moseleyi

Northern Rockhopper Penguin | Pingüino Saltarrocas Septentrional

De noordelijke rotspinguïn is de kuifpinguïn met de langste en weelderigste gele pluimen van zijn geslacht. Hij broedt op Tristan da Cunha, Gough en de eilanden Amsterdam en Saint-Paul, en is de kuifpinguïn die het vaakst op de stranden van Zuid-Afrika aanspoelt.

Noordelijke rotspinguïn (Eudyptes moseleyi)
Foto: Antoine Lamielle — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

In de kolonie een luid, rauw en schetterend balken met opgeheven kop, ekk-ekk-ekk-aaah, zwaarder en dieper dan bij de oostelijke rotspinguïn. Verder blaffende contactroepen en gegrom. Aangespoelde vogels zijn meestal stil.

Luister: RoepXC332460

Opname: Chris Taylor — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 55 tot 62 cm, met leigrijs-zwarte kop en bovendelen en witte onderdelen. Een brede gele wenkbrauwstreep begint boven de teugel en loopt achter het oog uit in lange, dichte, slordig hangende pluimen van geel en zwart, die tot op de schouders kunnen reiken; ook de zwarte kopveren vormen een ruige kuif. De snavel is kort en oranjerood, het oog rood en de poten roze. Onder de vleugel is de zwarte voorrand breed en de donkere punt groot. Jonge vogels hebben een grijze kin, een korte, vage gele streep en een donkerder snavel.

Verwarrings­soorten

De oostelijke rotspinguïn (Eudyptes filholi) heeft kortere, spaarzamere pluimen, een smallere wenkbrauwstreep en een roze huidrand langs de snavel. De macaronipinguïn (Eudyptes chrysolophus) is groter, heeft een zwaardere snavel en oranjegele pluimen die op het voorhoofd samenkomen. Jonge vogels van deze soorten kunnen worden verward: gebruik de breedte van de donkere vleugelrand en het formaat van de snavel.

Leefgebied

Broedt in kolonies tussen rotsblokken en in dicht pollengras op steile kusthellingen, vaak bij beekjes die naar zee lopen. Foerageert op zee in subtropische en koelgematigde wateren rond het subtropisch front, op kreeftachtigen, pijlinktvis en kleine vis. Ruiende of verzwakte vogels komen in het gebied aan land op zandstranden en rotskusten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied een dwaalgast, vooral langs de kust van de West- en Oost-Kaap, met enkele meldingen van KwaZulu-Natal en Namibië; de meeste vogels spoelen van december tot april aan, vaak tijdens de rui. De broedgebieden liggen in de zuidelijke Atlantische Oceaan op Tristan da Cunha (onder andere Inaccessible en Nightingale) en Gough, en in de zuidelijke Indische Oceaan op Amsterdam en Saint-Paul.

Hoe en wanneer kijken

Speur in de zomer en de vroege herfst de stranden en rotskusten van het Kaapse schiereiland tot de Oost-Kaap af, vooral na harde westenwind. Aangespoelde pinguïns zijn vaak uitgeput: houd afstand en meld ze aan een opvangcentrum voor zeevogels, waar ook de determinatie kan worden bevestigd.

Staat van instandhouding

Bedreigd. De wereldpopulatie is in de twintigste eeuw zeer sterk afgenomen, vooral op Gough en Amsterdam. Oorzaken zijn waarschijnlijk veranderingen in het voedselaanbod op zee door opwarming, visserij en in het verleden het rapen van eieren. Scheepsrampen vormen een direct risico: bij de olieramp met de MS Oliva op Nightingale in 2011 raakten duizenden vogels besmeurd.

Wetenschappelijke naam

Eudyptes moseleyi | Mathews & Iredale, 1921

Mathews & Iredale beschreef de soort in 1921 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Eudyptes werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Eudyptes komt van het Griekse eu, 'goed', en duptēs, 'duiker' — 'goede duiker', naar de behendigheid waarmee deze kuifpinguïns onder water jagen. moseleyi eert de Engelse natuuronderzoeker Henry Nottidge Moseley (1844–1891), die als bioloog meevoer op de Challenger-expeditie en Tristan da Cunha bezocht. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Inaccessible Island, Tristan da Cunha.