Alle soorten › Zangvogels › Wielewalen › Maskerwielewaal

Maskerwielewaal | Oriolus larvatus

Black-Headed Oriole | Oropéndola Enmascarada

De maskerwielewaal is de gewone wielewaal van zuidelijk Afrika en een van de bekendste geluiden van het bosveld: een vloeiend, borrelend gefluit uit de kruin van een hoge boom. De vogel zelf is goudgeel met een gitzwarte kop en koraalrode snavel, en ondanks die felle kleuren in het blad vaak verborgen.

Maskerwielewaal (Oriolus larvatus)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een vol, vloeiend en borrelend gefluit, zoals poe-dle-oe of hoe-hoe-wie-oe, vaak met variaties in één reeks. Daarnaast een harde, nasale kwèèr of njèèh als contact- en alarmroep. Hij zingt het hele jaar, het meest in voorjaar en zomer.

Luister: ZangXC1145606

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

24–25 cm. Kop, keel en bovenborst zijn glanzend zwart; de rest van het lijf is helder goudgeel, de mantel iets groener. De vleugels zijn zwart met witte en grijze randen aan armpennen en tertials en een kleine witte vlek op de handpenndekveren. De staart is olijfgeel in het midden, de buitenste pennen zwart met gele toppen. De snavel is koraalroze tot rood, het oog rood. De geslachten zijn gelijk. Jonge vogels hebben een dof zwarte, olijf gestreepte kop, een keel met zwarte streepjes op geelwit en een zwartachtige snavel.

Verwarrings­soorten

De Afrikaanse wielewaal Oriolus auratus en de wielewaal Oriolus oriolus missen de zwarte kop; vrouwtjes en jonge vogels van die soorten zijn gestreept van onderen, wat verwarring met een jonge maskerwielewaal kan geven, maar die heeft altijd een donkere kap. De groenkopwielewaal Oriolus chlorocephalus van de Mozambikaanse bergen heeft een groene kop en blauwgrijze vleugels. In het noorden van Angola zijn de blauwvleugelwielewaal Oriolus brachyrynchus en de zwartvleugelwielewaal Oriolus nigripennis kleiner en beperkt tot regenwoud.

Leefgebied

Breedbladig bosveld en miombo, oeverbos, bosranden, kustbos en aangeplante bomen, ook in tuinen en parken met hoge bomen in steden. Foerageert in het kronendak op rupsen, andere insecten, nectar en vruchten; neemt graag vijgen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverbreid in het noorden en oosten van het gebied: in Zuid-Afrika van de Oost-Kaap door KwaZulu-Natal naar Mpumalanga, Limpopo en Gauteng, verder in Eswatini, heel Mozambique, Zimbabwe, Malawi en Zambia, het noorden en oosten van Botswana, noordoostelijk Namibië (Kavango en Zambezi) en het grootste deel van Angola buiten het droge zuidwesten. Daarbuiten noordwaarts tot Kenia, Zuid-Soedan en het zuiden van Congo.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond te horen in bosveld en groene voorsteden in het oosten, bijvoorbeeld in Kruger, KwaZulu-Natal of Harare. Volg de zang naar een hoge boom en wacht tot hij van tak wisselt; in bloeiende koraalbomen Erythrina en vijgen komt hij vaak dichtbij.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en in delen van Zuid-Afrika toegenomen dankzij aangeplante bomen in steden en op boerderijen. Plaatselijke achteruitgang door kap van bosveld en oeverbos, maar geen grootschalige bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Oriolus larvatus | Lichtenstein, 1823

Lichtenstein beschreef de soort in 1823 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Oriolus werd in 1766 ingevoerd door Linnaeus. Oriolus is middeleeuws Latijn voor de Wielewaal; de naam is klanknabootsend en weerspiegelt de melodieuze roep van de Wielewaal. larvatus is Latijn voor 'gemaskerd', naar de zwarte kop die als een masker afsteekt tegen het geel. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaapprovincie, Zuid-Afrika.