Alle soorten › Scharrelaarachtigen › IJsvogels › Malachietijsvogel
Malachietijsvogel | Corythornis cristatus
Malachite Kingfisher | Martín Pescador Malaquita
De malachietijsvogel is de kleine, juweelachtige ijsvogel van rietkragen en waterkanten: ultramarijn van boven, warm roestbruin van onder, met een felrode snavel en een kuif van turquoise en zwarte dwarsbanden. Hij is strikt aan water gebonden en vist vanaf lage zitplaatsen vlak boven het wateroppervlak.
Geluid
Een hoge, scherpe tsip of tsiek, meestal in snelle vlucht laag over het water; bij territoriumgedrag een piepend gekwetter, tsi-tsi-tsi-tsiwi, soms met op- en neergaande kop en een opgezette kuif.
Opname: Bernard BOUSQUET — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 14 cm. De bovendelen zijn diep ultramarijnblauw, de kruin en de kuif turquoise met fijne zwarte dwarsbanden; de kuif reikt tot aan het oog en kan als een kam worden opgezet. Wangen en onderdelen zijn roestoranje, de keel wit en aan de zijkant van de hals zit een witte vlek. Snavel en poten zijn helderrood. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer, met een zwartachtige snavel en een donkerder, minder glanzende rug; de snavel kleurt in de loop van enkele maanden rood.
Verwarringssoorten
De Afrikaanse dwergijsvogel (Ispidina picta) is iets kleiner, mist de gebandeerde kuif, heeft een violette wangvlek en een blauwe kruin die niet tot het oog reikt, en leeft vooral in bosveld ver van water. De witbuikijsvogel (Corythornis leucogaster), in het noorden van Angola, heeft een witte buikmidden en zit langs bosbeken. De kobaltijsvogel (Alcedo semitorquata) is groter, met een zwarte snavel en bleke onderdelen.
Leefgebied
Oevers van rivieren, beken, dammen, meren, moerassen en rustige estuaria met rietkragen, papyrus of overhangende begroeiing. Zit laag op een riethalm of tak, duikt schuin in ondiep water en vangt kleine vissen, kikkervisjes, waterinsecten en kreeftachtigen. Graaft een nestgang in een steile zand- of leemwand, vaak in een kleine oeverwal of zelfs in een gegraven kuil.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Over een groot deel van het gebied bij geschikt water: in heel Zuid-Afrika behalve de droogste delen van de Noordwest-Kaap en de Karoo, in Lesotho, Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia, het noorden en oosten van Botswana (Okavango en Chobe), het noorden van Namibië en vrijwel heel Angola. In de droge westelijke helft van het gebied alleen langs permanente rivieren en dammen. Verder over het grootste deel van Afrika ten zuiden van de Sahara.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Loop langzaam langs een rietkraag en let op een klein vonkje blauw dat laag over het water wegschiet; de vogel landt meestal een eind verder op een rietstengel en keert vaak naar dezelfde zitplaats terug. In het zuiden van het gebied zwerven vogels in de winter naar open water; in droge jaren verdwijnen ze van dammen die droogvallen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en algemeen in het hele gebied. Plaatselijk heeft de soort te lijden van het droogleggen van moerassen, het verdwijnen van rietoevers en vervuiling van water, maar nieuwe dammen en stuwmeren hebben elders het leefgebied uitgebreid.
Wetenschappelijke naam
Corythornis cristatus | (Pallas, 1764)
Pallas beschreef de soort in 1764 als Alcedo cristata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Corythornis werd in 1848 ingevoerd door Kaup. Corythornis komt van het Griekse korys, genitief korythos, 'helm', en ornis, 'vogel' — naar de gebandeerde kuif op de kruin van de malachietijsvogel. cristatus is Latijn voor 'gekuifd', van crista, 'kuif' — naar de zwart-turquoise gebandeerde kuif. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.
