Alle soorten › Kraanvogelachtigen › Kraanvogels › Lelkraanvogel

Lelkraanvogel | Grus carunculata

Wattled Crane | Grulla Carunculada

De lelkraanvogel is de grootste en zeldzaamste kraanvogel van Afrika: een lange, grijze vogel met een witte hals en twee witte, bevederde lellen die onder de kin hangen. Hij is sterker dan andere kraanvogels aan uitgestrekte, ondiepe moerassen gebonden en brengt meestal maar één jong per jaar groot.

Lelkraanvogel (Grus carunculata)
Foto: Fabrice Stoger — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Stiller dan de andere kraanvogels. Een luid, rauw, over grote afstand hoorbaar kwarrk als alarm, en een hoog, langgerekt horrrk in duet, waarbij het mannetje de kop achterover werpt. Jonge vogels piepen hoog en ijl.

Luister: VluchtroepXC584673

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

150–175 cm lang, spanwijdte 230–260 cm, een van de langste vliegende vogels van het gebied. Rug en vleugels zijn lichtgrijs, de lange, gebogen binnenste armpennen hangen als een grijze sleep over de staart. Kop en hals zijn wit, de kruin is donker leigrijs en de naakte, rode, wratachtige huid vóór het oog loopt door tot aan de snavelbasis. De twee lellen zijn wit bevederd, met vaak een rood randje aan de basis. Borst, buik en de handpennen zijn zwart. De snavel is lang en roodbruin, de poten zijn donkergrijs. De geslachten zijn gelijk; het mannetje heeft langere lellen. Jonge vogels hebben een witte kop zonder rood gezicht, kortere lellen en een bruinig waas over de rug.

Verwarrings­soorten

De grijze kroonkraanvogel Balearica regulorum is kleiner, met een gouden kroon en een rode keellel. De paradijskraanvogel Grus paradisea is kleiner en egaal blauwgrijs, zonder witte hals. In de vlucht kan hij aan een grote ooievaar doen denken, zoals de zadelbekooievaar Ephippiorhynchus senegalensis, maar het contrast tussen witte hals, grijze vleugels en zwarte onderkant is kenmerkend.

Leefgebied

Grote, ondiepe, permanente of seizoensgebonden moerassen en overstroomde graslanden, en in het hoogland natte vleien met zeggen en biezen. Graaft met de lange snavel naar de knollen van zeggen en waterlelies, die het grootste deel van het voedsel uitmaken; verder zaden, insecten, slakken en kikkers. Het nest is een hoop plantenmateriaal in ondiep water, vaak met open water eromheen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het zwaartepunt van de wereldpopulatie ligt in Zambia: de Kafuevlakte, het Liuwavlakte-, Bangweulu- en Busangagebied. Verder in de Okavangodelta en het Linyantigebied van Botswana, de Zambeziregio van Namibië, het oosten van Angola rond de Boven-Zambezi, de Zambezidelta in Mozambique, het Nyika-plateau in Malawi en schaars in Zimbabwe. In Zuid-Afrika is een klein, geïsoleerd bestand over, vooral in de middellanden van KwaZulu-Natal, met enkele paren in Mpumalanga en de Oost-Kaap. Daarbuiten geïsoleerd in de hooglanden van Ethiopië en verspreid in Tanzania en het zuidoosten van Congo-Kinshasa.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het meest betrouwbaar op de Kafuevlakte en de Liuwavlakte in Zambia en in de Okavangodelta, waar in de droge tijd groepen van tientallen vogels in de overstroomde vlakten foerageren. In Zuid-Afrika zijn de vleien rond Underberg en de middellanden van KwaZulu-Natal de beste plek; houd afstand van broedparen, die gevoelig zijn voor verstoring.

Staat van instandhouding

Kwetsbaar op de Rode Lijst; de wereldpopulatie telt naar schatting zo'n achtduizend vogels en loopt terug. Bedreigingen zijn het verlies van moerassen door dammen, veranderde overstromingsregimes op onder meer de Kafuevlakte, drooglegging en landbouw, verder aanvaringen met hoogspanningslijnen en verstoring van broedplaatsen. In Zuid-Afrika is het bestand na dertig jaar bescherming gegroeid tot ruim driehonderd vogels in KwaZulu-Natal, waarna de soort daar in 2025 nationaal van ernstig bedreigd naar bedreigd is teruggezet.

Wetenschappelijke naam

Grus carunculata | (Gmelin, 1789) (GBIF: Bugeranus carunculatus)

Gmelin beschreef de soort in 1789 als Ardea carunculata; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Grus werd in 1760 ingevoerd door Brisson. Grus is het Latijnse woord voor 'kraanvogel'. carunculata is Latijn voor 'met lellen' — naar de twee bevederde lellen onder de kin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.