Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Kwartelastrild

Kwartelastrild | Ortygospiza atricollis

Quailfinch | Estrilda Codorniz

De kwartelastrild is een klein, gedrongen grondastrildje van open grasland, dat meestal pas opvalt wanneer het vlak voor de voeten opvliegt en met een metaalachtig getinkel hoog en zwenkend wegvliegt. Aan de grond lijkt het met zijn gebandeerde flanken en korte staart op een miniatuurkwartel.

Kwartelastrild (Ortygospiza atricollis)
Foto: Francesco Veronesi from Italy — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De vluchtroep is kenmerkend: een metaalachtig, tinkelend tirrilink-tirrilink of tink-tink-tink, dat bij het opvliegen en tijdens de hoge, golvende vlucht wordt herhaald. Op de grond een zacht tsjip; de zang is een reeks droge klik- en kwaaktonen.

Luister: VluchtroepXC584679

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

9 tot 10 cm, met een zeer korte staart met witte hoekjes. De bovendelen zijn egaal grijsbruin. Het mannetje heeft een zwart gezicht en een zwarte keel met een witte kinvlek en, bij de vogels van het zuiden van het gebied, een witte ring rond het oog; borst en flanken zijn breed zwart-wit gebandeerd, het midden van borst en buik oranjebruin. De snavel is rood, de bovensnavel vaak donkerder. Het vrouwtje is valer, met een grijsbruin in plaats van zwart gezicht, minder wit rond het oog en een dofferroze snavel. Jonge vogels zijn bruiner en vager getekend, met een donkere snavel. In het noorden van Angola en Zambia komen vormen voor met een geheel zwarte kin zonder witte bril en een helemaal rode snavel, die soms als aparte soort worden beschouwd.

Verwarrings­soorten

De sprinkhaanastrild (Paludipasser locustella) van natte dambo's is kleiner, heeft oranjerode vleugels in vlucht en bij het mannetje een rood gezicht en een zwarte buik; hij vliegt laag en snorrend weg in plaats van hoog en zwenkend. Opvliegende piepers zoals de kaneelpieper (Anthus cinnamomeus) en graszangers zoals de graszanger (Cisticola juncidis) zijn slanker, met langere staarten, en geven een andere roep. Het goudbuikje (Amandava subflava) heeft een langere staart en een oranjegele buik.

Leefgebied

Kort, open grasland, vaak vochtig of rond vleien, dambo's en de randen van pannen en dammen, ook overbeweid veld, braakliggend land, sportvelden en vliegvelden; in de bergen tot hoog in montaan grasland. Loopt als een muis tussen de graspollen op zoek naar gevallen zaden, meestal in paren of groepjes, buiten de broedtijd in grotere groepen die met het water en het zaad rondzwerven.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Over het grootste deel van het gebied verspreid: van Angola, Zambia, Malawi en Mozambique tot Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, het noorden van Namibië, het grootste deel van Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini. Ontbreekt in de Namib, de droge westelijke Karoo, de centrale Kalahari en gesloten bos; in de West-Kaap alleen plaatselijk. Daarbuiten verspreid over grote delen van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Loop door een kort, vochtig grasveld rond een vlei of dam en luister naar het tinkelende geluid boven je hoofd: de vogels vliegen meestal al op voordat je ze ziet, zwenken rond en vallen op enige afstand weer in. Merk de plek waar ze neerkomen en nader voorzichtig; soms komen ze drinken aan de rand van het water, waar de gebandeerde flanken en de witte bril goed te zien zijn.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen en wijdverspreid; profiteert plaatselijk van beweid en open gemaakt grasland. Het verdwijnen van vleien en natte graslanden door drooglegging en bebouwing kan leiden tot plaatselijke achteruitgang.

Wetenschappelijke naam

Ortygospiza atricollis | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Fringilla atricollis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ortygospiza werd in 1850 ingevoerd door Sundevall. Ortygospiza komt van het Griekse ortux, 'kwartel', en spiza, 'vink' — naar de kwartelachtige leefwijze op de grond. atricollis komt van het Latijnse ater, 'zwart', en collum, 'hals' — naar de zwarte keel van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.