Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Koperstaartspoorkoekoek

Koperstaartspoorkoekoek | Centropus cupreicaudus

Coppery-Tailed Coucal | Cucal Colicobrizo

De koperstaartspoorkoekoek is de grootste en donkerste spoorkoekoek van het gebied, een typische bewoner van de papyrus- en rietmoerassen van de Okavango, de Chobe en de bovenloop van de Zambezi. Zijn diepe, borrelende roep is een vertrouwd geluid bij zonsopgang in de delta.

Koperstaartspoorkoekoek (Centropus cupreicaudus)
Foto: Charles J. Sharp — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een diepe, trage en borrelende reeks holle tonen, boe-boe-boe-boe-boe, die daalt en weer stijgt, merkbaar lager en voller dan bij de andere spoorkoekoeken; vaak in duet en in koor met naburige paren. Ook een scherp, raspend tsjek bij onrust.

Luister: ZangXC745601

Opname: Dries Van de Loock — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

44 tot 50 cm, groot en zwaar gebouwd, met een forse snavel. Kop en achterhals zijn dofzwart met een lichte blauwe glans; de mantel is donker olijfbruin tot zwartbruin, de vleugels donker roodbruin. De onderzijde is room tot vuilwit. De lange, brede staart is zwart met een duidelijke koperkleurige tot bronzen glans, die in goed licht zichtbaar is. Zware zwarte snavel, rood oog, zwarte poten. Jonge vogels hebben gebandeerde bovendelen, een lichte wenkbrauwstreep en een donker oog.

Verwarrings­soorten

De Senegalese spoorkoekoek (Centropus senegalensis) is kleiner en slanker, met een lichtere, helder roodbruine mantel, een fijnere snavel en een staart zonder koperglans. De wenkbrauwspoorkoekoek (Centropus superciliosus) is kleiner, met een witte wenkbrauwstreep of, bij de zuidelijke vorm, een fijn gebandeerde stuit. De monniksspoorkoekoek (Centropus monachus) komt alleen in het noorden van Angola voor en heeft een helderder roodbruine rug. De zwarte spoorkoekoek (Centropus grillii) is veel kleiner en heeft in broedkleed een geheel zwarte onderzijde.

Leefgebied

Papyrus- en rietmoerassen, ruige oevervegetatie, overstromingsvlakten met hoog gras en struikgewas langs rivieren, lagunes en eilanden in delta's. Sterk aan permanent water gebonden. Eet grote insecten, kikkers, vissen, slakken, kleine vogels, knaagdieren en slangen, en rooft soms eieren en jongen uit nesten van reigers en wevers.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied in het oosten van Angola, het westen en midden van Zambia (bovenloop van de Zambezi, Kafue-vlakten, Bangweulu), het noorden van Botswana (Okavangodelta, Linyanti, Chobe), de Zambezi-regio en Kavango in Namibië en het uiterste noordwesten van Zimbabwe rond de Victoriawatervallen. Daarbuiten in het zuiden van de DR Congo, het westen van Tanzania en Burundi.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Bij zonsopgang vanaf een mokoro of een kamp aan de rand van de Okavangodelta of de Chobe luisteren naar de lage, borrelende roep. Vroeg op de dag gaan de vogels op de top van papyrus of struiken zitten om op te drogen; het koperkleurige staartlicht is dan zichtbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in de grote moerassen van het gebied algemeen. De soort is afhankelijk van permanente moerassen; waterwinning, drooglegging en veranderde overstromingspatronen van rivieren zijn op lange termijn de belangrijkste bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Centropus cupreicaudus | Reichenow, 1896

Reichenow beschreef de soort in 1896 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Centropus werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Centropus komt van het Griekse kentron, 'spoor, prikkel', en pous, 'voet' — naar de lange, rechte achternagel, de 'spoor' waaraan spoorkoekoeken hun naam danken. cupreicaudus komt van het Latijnse cupreus, 'koperkleurig', en cauda, 'staart' — naar de koperglans op de lange staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Okavango-gebied en Angola.