Alle soorten › Pelikaanachtigen › Reigers › Koereiger
Koereiger | Ardea ibis
Western Cattle Egret | Garcilla Bueyera
De koereiger is een kleine, gedrongen witte reiger die zijn voedsel vooral op het droge zoekt, bij grazend vee en wild, achter tractoren en op grasvelden. Van oorsprong een Afrikaanse vogel, koloniseerde hij in de twintigste eeuw zelfstandig Zuid-Afrika en de Kaap, en daarna ook Amerika.
Geluid
Buiten de kolonie meestal stil. In de kolonie en op de slaapplaats een schor, kakelend rik-rak of kok en allerlei krassende geluiden.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
Ongeveer 54 cm, wit, met een korte hals, een ronde kop en een korte, dikke gele snavel met een bevederde 'onderkin' onder de kaak. De poten zijn geelachtig tot groenbruin, bij jonge vogels zwart. In broedkleed hebben kruin, borst en mantel een warme okerbruine tint, en zijn snavel, teugels en poten kort rood of oranjerood. De seksen zijn gelijk. Vliegt in dichte groepen met snelle vleugelslag en ingetrokken hals, 's avonds in lange rijen naar de slaapplaats.
Verwarringssoorten
De geelsnavelzilverreiger Ardea brachyrhyncha is veel groter, met een langere hals en een langere, slankere snavel. De kleine zilverreiger Egretta garzetta is slanker, met een dunne zwarte snavel en gele tenen. De ralreiger Ardeola ralloides is in rust bruinig, maar laat in de vlucht witte vleugels zien; let op de bruine rug en de zwartgepunte snavel.
Leefgebied
Graslanden, weiden, akkers, gazons, sportvelden en vuilnisbelten, altijd waar grote grazers of machines insecten opjagen; ook bij olifanten en buffels in wildparken. Eet vooral sprinkhanen en andere insecten, verder kikkers en hagedissen. Broedt en slaapt in kolonies in bomen of riet boven water, soms midden in dorpen en steden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Over vrijwel het hele gebied algemeen, van Angola en Zambia tot de Kaap, inclusief Lesotho en Eswatini; schaars in de Namib en de droogste delen van de Karoo. Na het broedseizoen trekt een deel van de vogels uit het zuiden en het Hoogveld naar Centraal-Afrika. Verder over heel Afrika, Zuid-Europa en het Midden-Oosten, en sinds de negentiende en twintigste eeuw in Noord- en Zuid-Amerika.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Meestal te vinden bij grazende koeien of een tractor die aan het ploegen is. Het opvallendste schouwspel is de avondtrek: van honderden tot duizenden vogels die in rijen naar een vaste slaapboom vliegen. Let in het voorjaar op de okerbruine broedveren.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; een van de algemeenste reigers ter wereld. In zuidelijk Afrika sterk toegenomen met de uitbreiding van veeteelt en landbouw. Plaatselijk last van bestrijdingsmiddelen tegen sprinkhanen.
Wetenschappelijke naam
Ardea ibis | Linnaeus, 1758 (GBIF: Bubulcus ibis)
Linnaeus beschreef de soort in 1758 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ardea voerde hij in datzelfde werk in. Ardea is het Latijnse woord voor 'reiger'. ibis is een Latijns en Grieks woord dat oorspronkelijk de heilige ibis aanduidde en bij vergissing aan deze reiger werd gegeven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Egypte.


