Alle soorten › Zangvogels › Wida's › Koekoekswever

Koekoekswever | Anomalospiza imberbis

Cuckoo-Finch | Viuda Anómala

De koekoekswever is een gedrongen, dikgesnavelde broedparasiet van graslanden en vleien, die zijn eieren legt in de nesten van graszangers en prinia's. Hij werd lang tot de wevers gerekend, maar is de naaste verwant van de wida's en staalvinken en is de enige soort in zijn geslacht.

Koekoekswever (Anomalospiza imberbis)
Hoofdfoto · Foto: i_c_riddell — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

De zang is een zacht, ijl gekwetter van sissende en piepende tonen, tsi-tsi-tsjeeuw, van een grashalm of draad gezongen. De roep is een kort, droog tsjip of dzip, vooral in de vlucht.

Luister: RoepXC1080375

Opname: Niall Perrins — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

12–13 cm, compact met een korte staart en een opvallend korte, hoge, zwarte kegelsnavel met een sterk gebogen bovenrand. Het mannetje in broedkleed is helder kanariegeel op kop en onderzijde, met een olijfgroene, zwart gestreepte mantel en een groengeel gestreepte kruin. Het vrouwtje is bruin met donkere streping op kruin en rug, en bleek geelbeige van onderen met fijne streepjes op borst en flanken; haar snavel is donker hoornkleurig. Het mannetje buiten de broedtijd lijkt op het vrouwtje, maar houdt vaak een gele zweem op gezicht en borst. Jonge vogels zijn warmer bruin en ongestreept van onderen. Zit vaak rechtop op grasstengels, hekken en draden en vliegt in kleine, soms grote zwermen rond.

Verwarrings­soorten

Het mannetje kan lijken op een Mozambiquesijs (Crithagra mozambica) of een geelbuikkanarie (Crithagra flaviventris), maar die hebben een fijnere, lichte snavel en een andere kopkleuring, en het vrouwtje van de zuidelijke maskerwever (Ploceus velatus) is langer en slanker gesnaveld. Het vrouwtje lijkt sterk op vrouwtjes van de grenadierwever (Euplectes orix) en de Napoleonwever (Euplectes afer), maar de koekoekswever is korter en dikker gesnaveld, met een sterk gewelfde bovensnavel, en heeft een meer gelige ondergrond. Ook in zwermen bisschoppen valt de stompe snavel het best op.

Leefgebied

Open, vochtig grasland, graslandvleien en dambo's, randen van moerassen, braakliggende akkers en graanvelden, ook grasrijke open savanne. Eet zaden, vooral van grassen, op de grond en uit de aren. Legt één tot twee eieren per waardnest, vooral bij de roestflankprinia (Prinia subflava) en graszangers zoals de graszanger (Cisticola juncidis), Kalaharigraszanger (Cisticola aridulus), Natalgraszanger (Cisticola natalensis) en valleigraszanger (Cisticola tinniens). De jongen lijken sterk op die van de waard en groeien samen met de waardjongen op.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Plaatselijk en onregelmatig in het oosten en noorden van het gebied: het oosten van Zuid-Afrika (Mpumalanga, Gauteng, KwaZulu-Natal, Limpopo), Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia en Angola; in het noorden van Botswana en de Zambezi-regio van Namibië schaars. Ontbreekt in het droge westen. Daarbuiten verspreid en vlekkerig door Afrika ten zuiden van de Sahara, van West-Afrika tot Ethiopië en Kenia.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in de late zomer, van januari tot april, in vochtige graslanden en rond vleien naar zwermen kleine gele en bruine vogeltjes: tussen bisschoppen en wida's valt de koekoekswever op door de korte, dikke snavel en de gedrongen bouw. Broedende mannetjes zingen van hoge grashalmen en draden. Omdat de soort sterk zwerft, kan hij het ene jaar talrijk zijn en het volgende jaar vrijwel ontbreken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in zuidelijk Afrika schaars en plaatselijk. Het verlies van vochtig grasland door landbouw, bebossing en drooglegging vermindert het leefgebied, terwijl graanakkers de soort plaatselijk juist voedsel bieden.

Wetenschappelijke naam

Anomalospiza imberbis | (Cabanis, 1868)

Cabanis beschreef de soort in 1868 als Crithagra imberbis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Anomalospiza werd in 1901 ingevoerd door Shelley. Anomalospiza komt van het Griekse anōmalos, 'afwijkend, onregelmatig', en spiza, 'vink' — naar de afwijkende kenmerken van deze broedparasiet onder de vinkachtigen. imberbis is Latijn voor 'baardloos' — vermoedelijk omdat de vogel de baardstreep mist van de kanaries waarbij Cabanis hem indeelde. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Mombasa, Kenia.