Alle soorten › Pelikaanachtigen › Pelikanen › Kleine pelikaan

Kleine pelikaan | Pelecanus rufescens

Pink-Backed Pelican | Pelícano Rosado

De kleine pelikaan is een grijswitte pelikaan met een roze getinte rug, die anders dan de roze pelikaan meestal alleen of in losse groepjes vist en in bomen broedt. In het gebied is hij veel schaarser en meer aan het oosten en noorden gebonden.

Kleine pelikaan (Pelecanus rufescens)
Foto: DickDaniels (http://theworldbirds.org/) — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Buiten de kolonie zwijgzaam. Bij het nest diepe, gutturale grommen en klapperend snavelgeluid; jongen bedelen met een zacht, zeurend gepiep.

Luister: RoepXC862719

Opname: Alain Malengreau — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

125–135 cm, spanwijdte 2,65 tot 2,9 meter. Grijswit met een roze waas op rug, stuit en flanken, een ruige, grijze kuif op het achterhoofd en grijsbruine slagpennen. De snavel is lichtroze tot geelachtig met een oranje nagel, de keelzak geel tot roze, de huid voor het oog heeft in de broedtijd een zwarte vlek met gele rand. De poten zijn geelachtig tot oranje. In de vlucht is de ondervleugel grijs met donkere handpennen, zonder het scherpe zwart-witte contrast van de roze pelikaan. Jonge vogels zijn grijsbruin met een witte stuit.

Verwarrings­soorten

De roze pelikaan Pelecanus onocrotalus is groter en witter, met zwarte slagpennen die in de vlucht fel afsteken tegen de witte ondervleugel, een donkerder, blauwgrijze snavel met gele keelzak en roze tot oranje poten. Op zwemmende vogels helpt ook de veerrand op het voorhoofd: bij de kleine pelikaan recht afgesneden, bij de roze pelikaan spits naar de snavel toelopend.

Leefgebied

Zoetwatermeren, rivieren met rustige stukken, dammen, overstromingsvlakten, estuaria en mangroven; mijdt meer dan de roze pelikaan de open kust. Vist meestal alleen of in kleine groepjes, drijvend en met de snavel in het water stekend. Broedt in kolonies in grote bomen bij water, vaak samen met ooievaars en maraboes.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vooral in het noorden en oosten van het gebied: de Okavangodelta en de Chobe in Botswana, de Caprivi in Namibië, de Zambezi en het Karibameer in Zimbabwe, Zambia (Bangweulu, Kafue, Luangwa), Malawi en Mozambique; in Zuid-Afrika vooral in Noord-KwaZoeloe-Natal, met de enige vaste broedkolonie bij de Nsumopan in het Mkhuzewildreservaat, en schaars in het laagveld. Zwervers bereiken de Namibische kust. Buiten het gebied in vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara, op Madagaskar en in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het Mkhuzewildreservaat en de St Lucia-estuaria in KwaZoeloe-Natal, of een bootochtje op de Chobe en de Okavango, waar enkele vogels op de rustige stukken rivier dobberen. Let op zittende vogels in grote dode bomen langs de oever.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in het gebied klein in aantal. In Zuid-Afrika geldt de soort nationaal als kwetsbaar door de kleine broedpopulatie, die afhangt van enkele kolonies in bomen. Het kappen van nestbomen, verstoring, veranderingen in waterstand en vergiftiging zijn de voornaamste risico's.

Wetenschappelijke naam

Pelecanus rufescens | Gmelin, 1789

Gmelin beschreef de soort in 1789 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Pelecanus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Pelecanus is de Latijnse vorm van het Griekse pelekan 'pelikaan', dat zelf teruggaat op pelekys 'bijl'. rufescens is Latijn voor 'roodachtig' — naar de roze-roomkleurige tint op rug en flanken in het broedkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit West-Afrika.