Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Karooleeuwerik

Karooleeuwerik | Calendulauda albescens

Karoo Lark | Alondra del Karoo

De Karooleeuwerik is een forse, zwaar gestreepte leeuwerik van de Sukkulente Karoo en het strandveld van de westkust. Hij is endemisch in Zuid-Afrika en een van de soorten waarvoor vogelaars naar Namakwaland en de Weskus trekken. De kleur van de bovendelen varieert sterk en past zich aan de grond aan: van donker roodbruin tot bleek grijsbruin.

Karooleeuwerik (Calendulauda albescens)
Foto: Timothy Whitehead — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een korte, luide zang, tsjip-tsjip-tsjrrrrr, waarbij een paar losse tonen overgaan in een snelle, ratelende triller, gezongen vanaf een struiktop of tijdens een korte zangvlucht waarin het mannetje omhoog fladdert en weer neerdaalt. Roep: een droog tsjiep.

Luister: ZangXC1149853

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

17–18 cm. Bovendelen roodbruin tot grijsbruin met brede, donkere streping op kruin en rug. Een lange witte wenkbrauwstreep, een donkere oogstreep, een witte wang met een donkere rand en een donkere baardstreep geven de kop een sterk getekend uiterlijk. Van onderen wit met zware, donkere lengtestrepen op borst en flanken. De snavel is vrij lang en licht gebogen. Loopt snel tussen de struikjes en zingt vanaf een struiktop.

Verwarrings­soorten

Barlows leeuwerik Calendulauda barlowi, noordelijk van Port Nolloth en in zuidelijk Namibië, is bleker, met minder en fijnere streping op de borst; in de overgangszone komen hybriden voor. De rode leeuwerik Calendulauda burra van de rode duinen van Boesmanland is groter, met een zwaardere snavel en een effener roodbruine rug. De roodrugleeuwerik Calendulauda erythrochlamys van de Namib is effen zandkleurig van boven en nauwelijks gestreept van onderen. De Kaapse langsnavelleeuwerik Certhilauda curvirostris is groter, met een veel langere, gebogen snavel.

Leefgebied

Open, laag struikgewas van sukkulente dwergstruiken in de Sukkulente Karoo, strandveld en kustfynbos op zand langs de westkust, en de westrand van de Nama-Karoo. Vermijdt kale grindvlakten zonder struiken. Foerageert op de grond tussen de struikjes naar insecten en zaden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch in Zuid-Afrika: de West-Kaap langs de westkust (van het West Coast National Park noordwaarts), Namakwaland, de Knersvlakte en de Tankwa-Karoo, de Noord-Kaap tot ongeveer Port Nolloth, en de westelijke Karoo tot in het westen van de Oost-Kaap. Noordelijk van Port Nolloth en in zuidelijk Namibië vervangen door Barlows leeuwerik.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; het beste na de winterregens (augustus–oktober), als de mannetjes vanaf struiktoppen zingen. Goede plekken zijn het West Coast National Park, de omgeving van Lambertsbaai en de Tankwa-Karoo. De zware borststreping en de ratelende zang onderscheiden hem van de andere leeuweriken in het struikgewas.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; vrij algemeen in geschikt leefgebied. Overbeweiding, akkerbouw in het strandveld en mijnbouw langs de westkust tasten het leefgebied plaatselijk aan.

Wetenschappelijke naam

Calendulauda albescens | (de Lafresnaye, 1839)

De Lafresnaye beschreef de soort in 1839 als Alauda albescens; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Calendulauda werd in 1855 ingevoerd door Blyth. Calendulauda is een samenvoeging van twee andere leeuweriknamen: Calendula en Alauda, het Latijnse woord voor 'leeuwerik'. albescens is Latijn voor 'witachtig', van albus, 'wit' — naar de lichte onderdelen en wenkbrauwstreep. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Blauwberg, Zuid-Afrika.