Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Kardinaalwever
Kardinaalwever | Quelea cardinalis
Cardinal Quelea | Quelea Cardenal
De kardinaalwever is de kleinste quelea: een nomadische zaadeter van natte graslanden die na goede regens plotseling in aantal verschijnt om te broeden. Het broedende mannetje draagt een scharlakenrode kap tot op de borst; buiten de broedtijd is de soort een onopvallend, gestreept bruin vogeltje in gemengde groepen.
Geluid
Een ruw, krassend gekwetter van groepen en als zang een reeks raspende tonen die versnelt tot een schurende triller, ongeveer tsjik-tsjik-tsjik-tsjrrrr.
Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
10 tot 11 cm, met een korte, kegelvormige snavel. Het mannetje in broedkleed heeft een helderrode kap die van voorhoofd en kruin over gezicht en keel tot op de bovenborst doorloopt, zonder zwart in het gezicht; op de achterkruin en nek is het rood beperkt, zodat de kop een strak afgebakende kap lijkt. De bovendelen zijn bruin met zwarte streping, de vleugelpennen hebben geelachtige randen en de onderdelen zijn bleek geelbruin. De snavel is dan donker. Het vrouwtje en het mannetje in rustkleed zijn gestreept bruin met een lichte, geelbruine wenkbrauwstreep, een lichte keel en een hoornkleurige snavel.
Verwarringssoorten
Het mannetje van de roodkopwever (Quelea erythrops) is groter en heeft een zwartachtige kin en keel; bij hem loopt het rood verder over de nek, maar minder ver op de borst. De roodbekwever (Quelea quelea) heeft het hele jaar een rode of oranjerode snavel. De scharlaken wever (Anaplectes rubriceps) heeft een roze-rode snavel en een witte buik en leeft in bomen, niet in grasland. Vrouwtjes en vogels in rustkleed zijn in het veld vaak niet van andere quelea's en van bisschoppen (Euplectes) te onderscheiden; let op de kleine maat en op de mannetjes in dezelfde groep.
Leefgebied
Natte en overstroomde graslanden, vleien, ruige moerasranden en akkers met hoog gras. Broedt in losse kolonies; de nesten zijn kleine, dunwandige grasballen, tussen hoge grasstengels geweven. Buiten de broedtijd zwerft de soort rond in gemengde groepen met andere wevers, bisschoppen en astrilden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied alleen aan de noordoostrand: het noorden van Malawi en het noordoosten van Zambia, waar de soort onregelmatig in de regentijd opduikt en plaatselijk broedt. Daarbuiten van Zuid-Soedan en Ethiopië via Oeganda, Kenia, Rwanda en Burundi tot het oosten van Congo-Kinshasa en Tanzania.
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Controleer in de regentijd in het noorden van Malawi en het noordoosten van Zambia elk groepje quelea's in hoog, nat gras. Een mannetje met een rode kap tot op de borst en zonder zwarte keel is een kardinaalwever. Door het nomadische gedrag kan de soort het ene jaar talrijk zijn en het volgende jaar ontbreken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. Wijdverspreid in Oost-Afrika; in het gebied een onregelmatige randsoort waarvan de aantallen van de regenval afhangen.
Wetenschappelijke naam
Quelea cardinalis | (Hartlaub, 1880)
Hartlaub beschreef de soort in 1880 als Hyphantica cardinalis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Quelea werd in 1850 ingevoerd door Reichenbach. De herkomst van Quelea is onzeker; Linnaeus gaf geen uitleg. Mogelijk gaat het terug op middeleeuws Latijn qualea, 'kwartel', naar de enorme zwermen, zoals de bijbelse kwartels. cardinalis is Latijn voor 'kardinaal' — naar de kardinaalrode kop van het mannetje, als het rode gewaad van een kardinaal. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Lado, Zuid-Soedan.

