Alle soorten › Zangvogels › Lijsters › Kaapse lijster

Kaapse lijster | Turdus olivaceus

Olive Thrush | Zorzal Oliváceo

De Kaapse lijster is de vertrouwde lijster van tuinen, parken en bergbossen in het zuiden en oosten van Zuid-Afrika. Hij scharrelt over gazons en door het strooisel, rent een stukje, staat stil en pikt dan een worm op. In de schemering zingt hij vanaf een hoge tak.

Kaapse lijster (Turdus olivaceus)
Foto: Gouldingken — CC BY 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is een reeks heldere, fluitende frasen van enkele tonen, telkens na een korte pauze herhaald en gevarieerd, zoals wiet-tu-wieoe, vooral bij zonsopkomst en in de avondschemering. De contactroep is een dun, hoog tsiep, vaak in vlucht; bij alarm een schril, ratelend tsjuk-tsjuk-tsjuk.

Luister: ZangXC1166446

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Een grote, donkere lijster van 22 tot 24 cm. De bovenzijde is effen olijfbruin, de keel wit met fijne donkere streepjes. De borst is olijfbruin tot grijsbruin, de flanken en de buik zijn warm oranjerood, de onderstaartdekveren wit met donkere vlekjes. De snavel is oranjegeel, de poten zijn geelbruin en rond het oog zit een smalle gele ring. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels hebben lichte druppelvlekjes op de bovenzijde en zwarte vlekken op de onderzijde.

Verwarrings­soorten

De Karoolijster (Turdus smithi) van het droge westen en het binnenland is grijzer, met een doffere, grijsbruine buik en alleen oranje op de flanken; in de Vrijstaat en langs de rivieren van de Noord-Kaap komen overgangsvormen voor. De Kurrichanelijster (Turdus libonyana) van het bosveld heeft een witte buik, zwarte baardstrepen langs de witte keel en alleen oranje flanken. De acacialijster (Turdus litsitsirupa) is grijs met zwart gevlekte onderzijde en een zwart-wit gezichtspatroon. Buiten het gebied van de Kaapse lijster, in de bergen van Malawi en Zambia, leeft de Afrikaanse berglijster (Turdus abyssinicus).

Leefgebied

Afromontaan bos, beboste kloven en oeverbos, en daarnaast tuinen, parken, golfbanen, boomgaarden en plantages met exoten. Foerageert op de grond op wormen, slakken en insecten in strooisel en op gazons, en eet ook vruchten en bessen. Het nest is een stevige kom van gras en mos, met modder verstevigd, in een boomvork.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied vooral in Zuid-Afrika: de West- en Oost-Kaap, KwaZulu-Natal, het Hoëveld van Gauteng en Mpumalanga en de escarpment van Limpopo, verder in heel Lesotho en in Eswatini. Een aparte populatie (swynnertoni) bewoont de bergbossen van de Oostelijke Hooglanden van Zimbabwe en het aangrenzende westen van Mozambique; die wordt soms bij de Afrikaanse berglijster gerekend. De soort komt buiten zuidelijk Afrika niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Kaapstad, Johannesburg en Pretoria is de Kaapse lijster een van de algemeenste tuinvogels; zoek hem vroeg in de ochtend op besproeide gazons. In het binnenland, waar hij en de Karoolijster elkaar ontmoeten, let op de kleur van de buik: warm oranje tot aan de poten wijst op de Kaapse lijster.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is algemeen en heeft haar areaal met de aanleg van tuinen, parken en plantages in het Hoëveld flink uitgebreid. Katten, ruitaanvaringen en het verdwijnen van inheems bos vormen lokale bedreigingen, maar de populatie is stabiel.

Wetenschappelijke naam

Turdus olivaceus | Linnaeus, 1766

Linnaeus beschreef de soort in 1766 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Turdus werd in 1758 ingevoerd door Linnaeus. Turdus is het gewone Latijnse woord voor 'lijster'. olivaceus is Latijn voor 'olijfkleurig' — naar de olijfbruine bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.