Alle soorten › Genten en aalscholvers › Genten › Kaapse jan-van-gent
Kaapse jan-van-gent | Morus capensis
Cape Gannet | Alcatraz del Cabo
De Kaapse jan-van-gent is de witte zeevogel met goudgele kop die zich van twintig tot dertig meter hoogte als een pijl in zee stort. De hele wereldpopulatie broedt op zes eilanden voor de kust van Namibië en Zuid-Afrika.
Geluid
Op zee vrijwel zwijgzaam. In de kolonie een aanhoudend, rauw en nasaal arrah-arrah-arrah, door duizenden vogels tegelijk tot een dreunend geluid opgestapeld dat kilometers ver draagt. Landende en opstijgende vogels roepen het hardst.
Opname: Daniel Danckwerts — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Groot en wit, 84 tot 94 cm lang en met een spanwijdte tot 185 cm. Kruin en nek zijn goudgeel, de handpennen, de achterrand van de vleugel en de staart zijn zwart, en een smalle zwarte keelstreep loopt van de kin over de keel omlaag. De spitse snavel is blauwgrijs met zwarte groeven, met zwarte teugel en oogring. Man en vrouw zijn gelijk. Jonge vogels zijn donkerbruin met witte spikkels en worden in drie tot vier jaar wit. Vliegt met stijve slagen laag over de golven, afgewisseld met lang glijden.
Verwarringssoorten
De Australische jan-van-gent (Morus serrator), een zeldzame dwaalgast die zich soms in de kolonies mengt, heeft een kortere keelstreep en een witte staart met alleen zwarte middelste staartpennen; bij de Kaapse jan-van-gent is de hele staart zwart. De maskergent is wit met een zwarte gezichtsmasker en mist de goudgele kop. Jonge vogels kunnen op bruine genten van andere soorten lijken; let dan op het formaat en de rechte, spitse snavel.
Leefgebied
Koude, voedselrijke kustwateren van de Benguela- en Agulhasstroom, waar sardine en ansjovis in scholen zitten. Broedt in dichte kolonies op vlakke, kale guano-eilanden en bij Lambertsbaai op een met een dam verbonden eilandje.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Broedt op zes eilanden: Mercury, Ichaboe en Possession voor Namibië, en Bird Island bij Lambertsbaai, Malgas in de Saldanhabaai en Bird Island in de Algoabaai voor Zuid-Afrika. Foerageert over het hele continentale plat van zuidelijk Afrika. Buiten de broedtijd trekken vooral jonge vogels langs de westkust tot Angola en de Golf van Guinee, en langs de oostkust tot in Mozambique. De soort komt nergens anders ter wereld voor.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Bird Island bij Lambertsbaai is over een pier te bereiken en heeft een kijkhut tegen de kolonie aan; daar broeden de vogels van september tot april op armlengte afstand. Langs de kust van KwaZulu-Natal duiken in juni en juli honderden vogels tegelijk boven de trekkende sardines. Vanaf een boot of een hoge kaap worden de duikvluchten vooral bij rustig weer waargenomen.
Staat van instandhouding
Bedreigd. De populatie is in drie generaties met meer dan de helft afgenomen. De kolonies in Namibië zijn ingestort doordat sardine en ansjovis daar door overbevissing en een verschuiving van het voedselweb zijn verdwenen. Verder spelen olielozingen, predatie door Kaapse pelsrobben bij Malgas en uitbraken van vogelgriep een rol. De broedeilanden zijn beschermd en worden actief bewaakt.
Wetenschappelijke naam
Morus capensis | (Lichtenstein, 1823)
Lichtenstein beschreef de soort in 1823 als Dysporus capensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Morus werd in 1816 ingevoerd door Vieillot. Morus komt van het Griekse moros, 'dwaas' — dezelfde stam als het Engelse 'booby' voor verwante jan-van-genten, naar de weinig schuwe, onhandig ogende houding van de vogels aan land bij hun broedkolonies. capensis is Latijn voor 'van de Kaap', naar Kaap de Goede Hoop waar de soort broedt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.

