Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Hanenstaartwidavink

Hanenstaartwidavink | Euplectes progne

Long-Tailed Widowbird | Obispo Colilargo

De hanenstaartwidavink is een vogel van het hoogveld: het broedende mannetje sleept een zwarte staart van bijna een halve meter achter zich aan terwijl hij traag over het grasland fladdert. Het is een klassiek voorbeeld van seksuele selectie, want vrouwtjes kiezen bij voorkeur mannetjes met de langste staart.

Hanenstaartwidavink (Euplectes progne)
Foto: Mohanr53 at English Wikipedia — Public domain · Wikimedia Commons

Geluid

Een krassend, sissend zzit-zzit-zzit en een schor getjirp van het mannetje, vanaf een graspol of tijdens de vlucht. In groepen een droog tsjik-tsjik als contactroep.

Luister: ZangXC752989

Opname: Lars Lachmann — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Vrouwtje circa 15–16 cm; broedend mannetje zonder staart circa 19–21 cm, met staart 55–71 cm, waarvan de middelste staartpennen tot circa 50 cm lang. Het mannetje in broedkleed is geheel diep zwart met een brede staart van lange, zacht gewelfde pennen, een oranjerode schoudervlek met daaronder een brede wit tot bleek bruingele band, en een blauwwitte snavel. Het vrouwtje is geelbruin met zware donkere streping op de bovendelen, een bleke wenkbrauw, een fijn gestreepte borst en een korte, puntige staart. Het mannetje buiten de broedtijd is als het vrouwtje, maar veel groter, met zwartere vleugels en behoud van de rood-witte schoudervlek. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

De roodkeelwidavink (Euplectes ardens) heeft een veel kortere, smalle staart, rood op de keel en geen rode schouder. De roodschouderwidavink (Euplectes axillaris) is kleiner en kortstaartig, met een rode schouder zonder witte band. De spiegelwidavink (Euplectes albonotatus) heeft een gele schouder, een witte vleugelspiegel en een kortere staart. Vrouwtjes en rustkleedmannetjes zijn groter en forser dan die van de andere widavinken en bisschoppen; in wintergroepen verraden de rood-witte schouders van de mannetjes de soort.

Leefgebied

Open, vochtige tot drogere hooggelegen graslanden, vleien en graslanden rond dammen en moerassen, tot in de Drakensberg. Het mannetje verdedigt in de zomer een territorium in hoog gras, waarin meerdere vrouwtjes nestelen; het nest is een bol van gras, laag in een graspol. In de winter in groepen op stoppelvelden, maïsakkers en brandplekken. Eet vooral graszaden.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied vooral op het hoogveld en in de oostelijke graslanden van Zuid-Afrika: Gauteng, Mpumalanga, Vrijstaat, Noordwest, het binnenland van KwaZulu-Natal en de Oost-Kaap, verder Lesotho en het westen van Eswatini; enkele waarnemingen in het zuidoosten van Botswana. Een afzonderlijke populatie leeft op de graslanden van het centrale plateau van Angola en in het westen en noorden van Zambia. Daarbuiten alleen in het zuiden van Congo-Kinshasa en in de hooglanden van Kenia.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van december tot februari op het hoogveld en in de Drakensberg, bijvoorbeeld langs landwegen rond Wakkerstroom, Dullstroom en in de Golden Gate: de mannetjes vliegen met trage vleugelslagen laag boven hun territorium, de staart omlaag hangend en in een verticale kiel gevouwen. Bij regen en harde wind kunnen ze nauwelijks vliegen en zitten ze laag in het gras.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, maar in Zuid-Afrika lokaal achteruit door het omzetten van natuurlijk grasland in akkerland, bosbouw en mijnbouw en door te frequent branden en overbegrazing. Waar natuurlijk grasland behouden blijft, is de soort algemeen.

Wetenschappelijke naam

Euplectes progne | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Emberiza progne; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Euplectes werd in 1829 ingevoerd door Swainson. Euplectes verbindt Grieks eu 'fraai, goed' met Neolatijn plectes 'wever'. progne verwijst naar Procne (Prokne), de Atheense prinses uit de Griekse mythe die in een zwaluw werd veranderd — mogelijk naar de lange staart. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.