Alle soorten › Pelikaanachtigen › Ibissen en lepelaars › Hadada-ibis

Hadada-ibis | Bostrychia hagedash

Hadada Ibis | Ibis Hadada

De hadada-ibis is een forse, grijsbruine ibis die vooral bekend is om zijn oorverdovende roep, waaraan hij zijn naam dankt. Van oorsprong een vogel van beboste rivieroevers, heeft hij zich de afgelopen eeuw over grote delen van Zuid-Afrika verspreid en is hij nu een vaste bewoner van gazons, parken en tuinen in de steden.

Hadada-ibis (Bostrychia hagedash)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luid, hard en nasaal ha-ha-ha-hadada of haa-haa-haa, vooral bij het opvliegen, in de vroege ochtend op weg van de slaapplaats en in de avond; in steden een van de bekendste geluiden. Ook een enkel luid haa als alarm.

Luister: VluchtroepXC1165886

Opname: Walter Wallner — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 76 cm, zwaar gebouwd met een tamelijk korte hals en korte poten. Het verenkleed is grijsbruin, op de vleugeldekveren met een sterke groene tot bronzen en paarse glans. Een smalle witte streep loopt van de snavelbasis onder het oog door over de wang. De snavel is lang, gebogen en donker, met een rode rand op de basis van de bovensnavel. De poten zijn donker, in de broedtijd met roodachtige tenen. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met minder glans en een kortere snavel. Vliegt met snelle, stijve vleugelslagen; de poten reiken niet voorbij de staart en de brede vleugels geven een gedrongen silhouet.

Verwarrings­soorten

De zwarte ibis Plegadis falcinellus is slanker en langpotiger, donkerder kastanjebruin en meestal stil. De Kaapse ibis Geronticus calvus heeft een kale rode kruin, een witachtig gezicht en een rode snavel en leeft in kort grasland. In het noorden van Angola lijkt de geschubde ibis Bostrychia rara erop, maar die is kleiner, dicht gevlekt en leeft in bos.

Leefgebied

Vochtige graslanden, rivier- en beekoevers met bomen, moerasranden, gazons, sportvelden, parken, tuinen, landbouwgrond en irrigatiegebied. Foerageert alleen, in paren of kleine groepen, prikkend in zachte grond naar insectenlarven, wormen, slakken en spinnen. Slaapt en nestelt in bomen; het nest is een dun takkenplatform, vaak in een boom boven water of in een tuin.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverspreid in het oosten en noorden van het gebied: Zuid-Afrika, Eswatini, Lesotho (plaatselijk), Mozambique, Zimbabwe, Malawi, Zambia, het noorden van Botswana, het noordoosten van Namibië en Angola. Sinds de twintigste eeuw sterk naar het westen uitgebreid, tot in de West-Kaap en delen van de Karoo langs rivieren en in bebouwing; ontbreekt in de droogste delen van Namibië en de Kalahari. Daarbuiten in een groot deel van Afrika bezuiden de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Oost-Afrika.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In steden als Johannesburg, Durban en Kaapstad algemeen: de vogels roepen bij zonsopgang boven de daken. Op gazons laat hij zich van dichtbij bekijken; kijk dan in de zon naar de glanzende vleugelvlek en de rode snavelrand.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en toenemend. Heeft sterk geprofiteerd van aanplant van bomen, irrigatie en gazons, waardoor het areaal in Zuid-Afrika aanzienlijk is gegroeid. Plaatselijk slachtoffer van vergiftiging en verkeer.

Wetenschappelijke naam

Bostrychia hagedash | (Latham, 1790)

Latham beschreef de soort in 1790 als Tantalus Hagedash; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Bostrychia werd in 1847 ingevoerd door Gray. Bostrychia komt van het Griekse bostrukhion, 'krulletje, sieraad', een verkleinwoord van bostrukhos, 'krul, rank'. De naam verwijst naar de dunne, afhangende lel aan de keel van de olijfibis. hagedash is de klanknabootsende naam die de Kaapse kolonisten volgens Sparrman aan deze ibis gaven, naar de luide roep 'ha-ha-ha-de-dah'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.