Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Grote karekiet

Grote karekiet | Acrocephalus arundinaceus

Great Reed Warbler | Carricero Tordal

De grote karekiet is de grootste rietzanger van het gebied, een Palearctische trekvogel die van november tot april vooral in het noorden en oosten overwintert. Hij zingt ook in Afrika geregeld zijn harde, krassende zang, en die is vaak het eerste teken van zijn aanwezigheid.

Grote karekiet (Acrocephalus arundinaceus)
Foto: Carles Pastor — CC BY-SA 3.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een luide, trage en harde zang van krassende en kwakende tonen, elk twee- of driemaal herhaald, karra-karra-kiet-kiet-gurk-gurk, als een grovere, kikkerachtige kleine karekiet. Zingt in het overwinteringsgebied vooral in de vroege ochtend en in de weken voor het vertrek. Roep een hard tsjak en een ratelend kerr.

Luister: ZangXC1167035

Opname: Meena Haribal — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

19–20 cm, bijna lijsterformaat, met een zware, lange snavel, een platte kop en een krachtige, vrij lange staart. De bovendelen zijn warm olijfbruin met een roestiger stuit, de onderdelen vuilwit met een warm geelbruine borst en flanken. Een duidelijke, lichte wenkbrauwstreep loopt tot achter het oog, met een donkere oogstreep eronder. De handpenprojectie is lang, zoals bij een lange-afstandstrekker. De poten zijn licht grijsbruin tot roze-bruin, de ondersnavel is roze. De seksen zijn gelijk; eerstejaars vogels zijn in de zuidelijke zomer warmer en frisser gekleurd dan de sleetse volwassen vogels, die in Afrika ruien.

Verwarrings­soorten

De papyrusrietzanger Acrocephalus rufescens is donkerder en egaler, zonder duidelijke wenkbrauwstreep en met donkere poten; hij is een standvogel van papyrusmoerassen in het noorden, met een borrelende zang. De Kaapse rietzanger Acrocephalus gracilirostris is kleiner, met een witte keel en donkere poten. De kleine karekiet Acrocephalus scirpaceus en de bosrietzanger Acrocephalus palustris zijn veel kleiner, met een fijnere snavel. De Basrakarekiet Acrocephalus griseldis is kleiner en grijzer, met een lange, dunne snavel, en dringt slechts uitzonderlijk tot in het gebied door. Formaat, snavel en de harde, krassende zang zijn de beste kenmerken.

Leefgebied

In het overwinteringsgebied minder aan riet gebonden dan in Europa: rietlanden en ruigte langs rivieren en dammen, maar ook dichte struiken en struweel langs rivieren, in vochtige laagten en zelfs in bosveld ver van water. Zoekt vrij log naar grote insecten, spinnen en soms kleine kikkers, en eet in het najaar ook bessen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied vooral in het noorden en oosten: Angola, Zambia, Malawi, Zimbabwe, Mozambique, het noorden en oosten van Botswana, het noorden van Namibië en in Zuid-Afrika vooral Limpopo, Mpumalanga, Gauteng, Noordwest en KwaZoeloe-Natal; schaars tot zeldzaam verder naar het zuiden en westen. Broedt van Noordwest-Afrika en Europa tot Centraal-Azië en overwintert in Afrika ten zuiden van de Sahara.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best van december tot maart; luister in de ochtend bij rietlanden en struweel langs rivieren en dammen naar de harde, krassende zang, bijvoorbeeld in het Krugerpark, bij Pongola of in Zimbabwe en Zambia langs de Zambezi. Een zingende vogel zit vaak hoog in een struik of een rietpluim en is dan meestal zichtbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De Europese broedpopulatie is sinds de twintigste eeuw in het westen van het areaal duidelijk afgenomen, vooral door verlies van brede rietlanden, maar is elders groot en stabiel. In het overwinteringsgebied zijn geen duidelijke bedreigingen bekend.

Wetenschappelijke naam

Acrocephalus arundinaceus | (Linnaeus, 1758)

Linnaeus beschreef de soort in 1758 als Turdus arundinaceus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. arundinaceus is Latijn voor 'rietachtig', van arundo, genitief arundinis, 'riet'. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit noordelijk Europa.