Alle soorten › Zangvogels › Spreeuwen › Grote glansspreeuw

Grote glansspreeuw | Lamprotornis australis

Burchell's Starling | Estornino de Burchell

De grote glansspreeuw is de grootste glansspreeuw van zuidelijk Afrika: een zware, langstaartige vogel met lange poten en een donker oog, die grotendeels op de grond foerageert. Hij is vrijwel beperkt tot het gebied en is een kenmerkende vogel van de savannes van Kruger, de Kalahari en Botswana.

Grote glansspreeuw (Lamprotornis australis)
Foto: Bernard DUPONT from FRANCE — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een laag, keelachtig en rasperig gekakel, tsjurr-tsjurr-tsjerr-tsjoerk, vaak in duet of in groepen; bij dageraad een luidruchtig koor van gorgelende klanken en fluittonen. De vleugels maken in vlucht een hoorbaar ruisen.

Luister: RoepXC1137898

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

30–34 cm, met een lange, afgeronde en getrapte staart, brede, afgeronde vleugels en lange zwarte poten. Het verenkleed is donker glanzend blauwgroen, met een paarsachtige glans op borst en buik en een donkerdere, doffe oorstreek; op de vleugeldekveren staan kleine donkere vlekjes. Het oog is donkerbruin, de snavel zwart. De seksen zijn gelijk; jonge vogels zijn doffer, met minder glans. Vliegt met trage, zware vleugelslagen, waarbij de brede vleugels en de lange staart opvallen.

Verwarrings­soorten

Meves' glansspreeuw Lamprotornis mevesii heeft ook een donker oog, maar is kleiner en slanker, met een langere, spits toelopende staart; hij leeft vooral in mopaneveld en langs de noordelijke rivieren. De groenstaartglansspreeuw Lamprotornis chalybaeus en de roodschouderglansspreeuw Lamprotornis nitens zijn kleiner, met een korte staart en een geel oog; de blauwoorglansspreeuw Lamprotornis chloropterus heeft eveneens een geel oog en leeft vooral in miombo. Let bij de grote glansspreeuw op de combinatie van groot formaat, lange afgeronde staart, donker oog en logge vlucht.

Leefgebied

Droge, open savanne en bosveld met hoge bomen, vooral Kalahari-doornveld, mopaneveld, gemengd bosveld en open acaciasavanne met een korte grasmat, ook rond kampen en lodges. Zoekt met lange passen op de grond naar insecten, vooral termieten en kevers, en eet vruchten. Nestelt in boomholtes, soms in palen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Vrijwel beperkt tot het gebied: het zuiden van Angola, het noorden en oosten van Namibië, het grootste deel van Botswana, het zuidwesten van Zambia, het westen en zuiden van Zimbabwe, het zuiden van Mozambique (Limpopodal) en in Zuid-Afrika de Limpopo-provincie, het laagveld van Mpumalanga, Noordwest en het noorden van de Noord-Kaap. Buiten het gebied komt de soort niet voor.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. In Kruger en de Kgalagadi een van de meest geziene vogels rond kampen en picknickplaatsen; in Botswana algemeen in Chobe, Moremi en de Centrale Kalahari. Door zijn grootte en lange staart valt hij direct op tussen andere glansspreeuwen; let in het noorden, waar Meves' glansspreeuw voorkomt, op staartvorm en verhoudingen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd, algemeen en stabiel. Profiteert van watervoorzieningen en kampen in natuurgebieden, maar is voor het broeden afhankelijk van oude bomen met holtes.

Wetenschappelijke naam

Lamprotornis australis | (Smith, 1836)

Smith beschreef de soort in 1836 als Megalopterus australis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Lamprotornis werd in 1820 ingevoerd door Temminck. Lamprotornis komt van het Griekse lampros, 'glanzend, schitterend', en ornis, 'vogel' — naar het metaalachtig glanzende verenkleed van de glansspreeuwen. australis is Latijn voor 'zuidelijk' — deze glansspreeuw komt voor in het zuiden van Afrika. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit gebied ten noorden van Kurrichane (bij Zeerust), Zuid-Afrika.