Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Groene geelsnavelmalkoha
Groene geelsnavelmalkoha | Ceuthmochares australis
Green Malkoha | Malcoha Africano Oriental
De groene geelsnavelmalkoha is een slanke, langstaartige koekoek met een dikke, felgele snavel, die als een muis door dicht gebladerte kruipt. In tegenstelling tot de meeste koekoeken van het gebied is hij geen broedparasiet: het paar bouwt een eigen nest en voedt de jongen zelf op. Meestal verraadt alleen het tikkende, versnellende geluid zijn aanwezigheid.
Geluid
Een reeks droge klikken die steeds sneller gaan en overlopen in een ratel, tik ... tik ... tik-tik-tiktiktrrrr, vergeleken met een tikkende klok die afloopt. Daarnaast een zacht, klaaglijk gefloten kiieuw en een scherp klik als contactroep. Roept jaarrond, maar het meest in de broedtijd van oktober tot januari.
Opname: Magnus Wadstein — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
32–35 cm, waarvan meer dan de helft staart. De bovendelen zijn donker olijfgroen met een groene tot blauwgroene glans, de vleugels en de lange, brede staart iets donkerder en sterker glanzend. Kop en onderdelen zijn grijs, op keel en borst lichter, op de buik donkerder. De snavel is dik, gebogen en helder geel, met een geel vlekje kale huid voor het oog; de iris is rood. De seksen zijn gelijk. Jonge vogels zijn doffer met een donkerder snavel. Beweegt sluipend en klimmend door lianen en dichte kruinen en vliegt zelden over open ruimte.
Verwarringssoorten
Binnen het grootste deel van het verspreidingsgebied geen verwarring mogelijk: geen andere donkere, langstaartige bosvogel heeft zo'n dikke gele snavel. In het noordwesten van het gebied komt de blauwe geelsnavelmalkoha Ceuthmochares aereus voor; die is donkerder leigrijs met een blauwe in plaats van groene glans en donkerder grijze onderdelen. Het verspreidingsgebied van beide soorten grenst mogelijk in Zambia aan elkaar.
Leefgebied
Dicht altijdgroen laagland- en kustbos, oeverbos, bosranden met veel lianen en verwilderde struwelen, ook dichte bosrestanten tot in parken. Foerageert in het middenstuk en de kruin op rupsen, sprinkhanen, kevers en andere insecten, die hij met de zware snavel van blad en takken plukt. Het nest is een ondiepe schaal van takjes in een dichte struik of klimplant.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Een oostelijke bosgordel: de kust- en oeverbossen van noordoostelijk KwaZulu-Natal en oostelijk Eswatini, verder door Mozambique, oostelijk Zimbabwe (Chimanimani en de lagere Zambezivallei), Malawi en oostelijk Zambia. Buiten het gebied langs de oostkant van Afrika noordwaarts tot in Somalië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Loop langzaam door kustbos of dicht oeverbos, bijvoorbeeld in Zululand of in de laaglandbossen van Mozambique, en luister naar het versnellende tikken. De vogel zit vaak doodstil in een lianenwirwar; wacht op beweging en zoek de gele snavel, die het eerst opvalt. Vaak foerageert hij met andere vogels mee in gemengde groepen.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd en over een groot areaal verspreid. In het zuiden van het areaal, vooral in KwaZulu-Natal, is de soort gevoelig voor kap en versnippering van kust- en oeverbos, maar hij houdt stand in kleine, dichte bosrestanten.
Wetenschappelijke naam
Ceuthmochares australis | Sharpe, 1873
Sharpe beschreef de soort in 1873 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Ceuthmochares werd in 1863 ingevoerd door Cabanis & Heine. Ceuthmochares komt van het Griekse keuthmos, 'schuilplaats', en chairō, 'zich verheugen' — 'die van verstoppen houdt', naar het heimelijke leven in dicht gebladerte. australis is Latijn voor 'zuidelijk' — naar het verspreidingsgebied in het zuiden van Afrika. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit KwaZoeloe-Natal, Zuid-Afrika.

