Alle soorten › Zangvogels › Afrikaanse zangers › Grijze langsnavelzanger

Grijze langsnavelzanger | Macrosphenus concolor

Grey Longbill | Picolargo Gris

De grijze langsnavelzanger is een kleine, vrijwel ongetekende zanger van het West- en Centraal-Afrikaanse regenwoud, met een lange, dunne snavel. Hij houdt zich op in dichte lianen en gebladerte en wordt veel vaker gehoord dan gezien. Het gidsgebied raakt hij alleen in het uiterste noordoosten van Angola, aan de rand van het Congobekken.

Grijze langsnavelzanger (Macrosphenus concolor)
Foto: mlanguy — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een luide, heldere reeks fluittonen die dikwijls wordt herhaald, krachtig voor een vogel van dit formaat, en daarnaast droge, kwetterende of ratelende contactgeluiden. De zang is doorgaans de eerste aanwijzing dat de soort aanwezig is.

Luister: ZangXC842391

Opname: Étienne Leroy — CC BY-NC-SA 4.0 · xeno-canto

Herkenning

11–12 cm. Een egaal gekleurde langsnavelzanger zonder wenkbrauwstreep, oogring of vleugelstrepen. De bovendelen zijn olijfgroen tot grijsolijf, de kop iets grijzer; in zonlicht kan de rug groen ogen. De onderzijde is lichtgrijs met een olijfkleurige waas op borst en flanken en een wat lichtere buik. De snavel is lang, recht en spits, donker met een lichtere ondersnavel. De staart is middellang, duidelijk langer dan bij de krombekken. De seksen zijn gelijk. Het beste kenmerk is juist het ontbreken van tekening, in combinatie met de lange snavel.

Verwarrings­soorten

De gele langsnavelzanger Macrosphenus flavicans, die in het noorden van Angola hetzelfde bos kan bewonen, heeft een heldergele onderzijde en een kortere staart. De groene krombek Sylvietta virens is kleiner en vrijwel staartloos, met een bruinachtige kop en een kortere snavel. De hylia Hylia prasina is groter en donkerder groen, met een lange lichte wenkbrauwstreep. De dwergbuulbuul Eurillas gracilis en de groene buulbuul Eurillas virens zijn vergelijkbaar olijfgrijs, maar hebben een kortere, dikkere snavel en een langere staart. De meeshylia Pholidornis rushiae is veel kleiner, met een korte snavel en fijn gestreepte kop en borst, en de kortstaarthoningzuiger Anthreptes seimundi heeft een kortere, licht gebogen snavel en een geelgroene onderzijde.

Leefgebied

Dicht vochtig laaglandbos, vooral lianenkluwens, bosranden en open plekken met verwarde begroeiing, en ook oud secundair bos. Foerageert in de onderste en middelste etage, vaak in paren of in gemengde groepen, en pikt insecten en andere ongewervelden van bladeren, takjes en lianen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Een regenwoudsoort van West- en Centraal-Afrika, van het zuiden van Guinee en Sierra Leone door de bosgordel van West-Afrika en via Kameroen en het Congobekken tot het zuidwesten van Oeganda. In het gidsgebied alleen in het uiterste noordoosten van Angola, in de Lunda-provincies, waar het bos aansluit op dat van het Congobekken. Voor de gids is hij daarmee een randgeval, aan de zuidgrens van zijn verspreidingsgebied.

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. In het gidsgebied een soort van het zelden bezochte noordoosten van Angola, waar weinig vogelaars komen. Luister in bosranden en galerijbos naar de luide fluitreeks en volg gemengde groepen door de lianen; reken op korte, onvolledige glimpen van een vogel zonder duidelijke kenmerken.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; in het West- en Centraal-Afrikaanse regenwoud wijdverbreid en plaatselijk algemeen. In het gidsgebied beperkt tot een klein stuk bos aan de rand van het areaal, waar de soort nauwelijks onderzocht is en afhankelijk is van het behoud van het bos.

Wetenschappelijke naam

Macrosphenus concolor | (Hartlaub, 1857)

Hartlaub beschreef de soort in 1857 als Camaroptera concolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Macrosphenus werd in 1859 ingevoerd door Cassin. Macrosphenus komt van het Griekse makros, 'lang', en sphēn, 'wig' — naar de lange, spits toelopende snavel. concolor is Latijn voor 'eenkleurig', van con- 'gelijk' en color 'kleur', naar het egale, vrijwel ongetekende verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Guinee.