Alle soorten › Stormvogelachtigen › Zuidelijke stormvogeltjes › Grijsrugstormvogeltje
Grijsrugstormvogeltje | Garrodia nereis
Grey-Backed Storm Petrel | Paíño Dorsigrís
Het grijsrugstormvogeltje is een klein, compact stormvogeltje van de koude Zuidelijke Oceaan en het enige stormvogeltje met een grijze in plaats van een witte stuit. Binnen het gebied broedt het op de Prins Edwardeilanden; voor de kust van het vasteland is het een grote zeldzaamheid.
Geluid
Op zee zwijgzaam. In de broedkolonie 's nachts een hoog, insectachtig gepiep of getjirp uit de holen.
Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.
Herkenning
Ongeveer 17 cm. Kop, hals en borst zijn zwart, de rug is donkergrijs met lichte veerranden en de stuit en bovenstaartdekveren zijn helder asgrijs. De staart is grijs met een brede zwarte eindband. De onderzijde vanaf de borst is wit, scherp afgegrensd tegen de zwarte borst. De bovenvleugel is donker met grijze dekveren, de ondervleugel wit met zwarte voorrand en vleugelpunt. De staart is recht en de poten reiken tot of net voorbij de staartpunt. De seksen zijn gelijk. De vlucht is laag en snel, zwenkend tussen de golven, met korte momenten waarop de vogel met tippende poten boven het water hangt.
Verwarringssoorten
Het zwartbuikstormvogeltje (Fregetta tropica) en het witbuikstormvogeltje (Fregetta grallaria) zijn groter en hebben een witte stuit. Prionen zoals de duifprion (Pachyptila turtur) zijn ook grijs met een zwarte staarteindband, maar veel groter, met een grijze in plaats van een zwarte kop en een donkere M-tekening over de bovenvleugels.
Leefgebied
Koude subantarctische wateren, vooral rond eilanden en boven kelpvelden. Foerageert op kleine kreeftachtigen, zoals larven van eendenmossels, en vislarven aan het oppervlak, vaak dicht bij drijvend zeewier. Broedt in holen en holtes onder pollen tussockgras en in dichte vegetatie op subantarctische eilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Broedt op Marion en Prince Edward in de Prins Edwardeilanden. Voor het vasteland van Zuid-Afrika en Namibië slechts enkele waarnemingen ver uit de kust, na zware stormen uit het zuiden. Broedt verder circumpolair op subantarctische eilanden, van de Falklandeilanden en Zuid-Georgia via Gough, Crozet en Kerguelen tot de Chathameilanden en de Antipoden, en blijft in de koude wateren van de Zuidelijke Oceaan.
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Vrijwel alleen te zien vanaf de bevoorradingsschepen naar Marion of op het eiland zelf, waar vogels 's nachts naar de kolonie terugkeren. Op zee is het een onopvallend vogeltje dat laag tussen de golven verdwijnt; let op de grijze stuit en de zwarte staartband.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd op wereldschaal. Op eilanden met ingevoerde ratten, muizen en katten is de soort sterk achteruitgegaan of verdwenen; op Marion vormen huismuizen, die kuikens aanvallen, een bedreiging. De uitroeiing van katten op Marion heeft de broedvogels al geholpen.
Wetenschappelijke naam
Garrodia nereis | (Gould, 1841)
Gould beschreef de soort in 1841 als Thalassidroma Nereis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Garrodia werd in 1881 ingevoerd door Forbes. Garrodia eert de Engelse zoöloog Alfred Henry Garrod (1846–1879), die de anatomie en verwantschappen van vogels bestudeerde. nereis verwijst naar de Nereïden, de zeenimfen uit de Griekse mythologie — passend voor dit sierlijke vogeltje dat over de golven danst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Straat Bass, Australië.

