Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Griekse spotvogel

Griekse spotvogel | Hippolais olivetorum

Olive-Tree Warbler | Zarcero Grande

De Griekse spotvogel is de grootste Hippolais-zanger: een grijze, langsnavelige vogel uit de Balkan en het Midden-Oosten, die van november tot maart in dichte acaciastruiken in het noordoosten van het gebied overwintert. Hij is schuw en onopvallend, maar verraadt zich door zijn lage, schurende zang, die hij ook in Afrika laat horen.

Griekse spotvogel (Hippolais olivetorum)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De zang is laag, traag en schurend, een reeks krassende en klakkende tonen met wat melodieuzere stukjes, doet denken aan een grote karekiet maar is minder luid en rustiger van ritme. Roep een hard, droog tsjak of tak, vaak herhaald.

Luister: ZangXC1134684

Opname: Stanislas Wroza — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

16–17 cm, groot en langgerekt, met een lange, zware, dolkvormige snavel met een geeloranje ondersnavel en een vlak voorhoofd. De bovendelen zijn egaal grijs, de onderdelen vuilwit met een grijze waas op de flanken. Een korte witte wenkbrauwstreep loopt vóór het oog en een lichte oogring geeft een ‘brilletje’. De vleugels zijn lang, met een opvallend licht vleugelpaneel door witte randen aan armpennen en tertials en een lange handpenprojectie. De staart is donkergrijs met witte randen aan de buitenste pennen. De poten zijn stevig en blauwgrijs. De seksen zijn gelijk. Beweegt traag en zwaar door het dichte gebladerte en wipt soms met de staart.

Verwarrings­soorten

De grote vale spotvogel Hippolais languida, niet met zekerheid in het gebied vastgesteld, is kleiner, heeft een kortere snavel en zwaait voortdurend met zijn donkere staart. De spotvogel Hippolais icterina is kleiner en groengeel. De sperwergrasmus Curruca nisoria is ook groot en grijs met lichte vleugelbanden, maar heeft een korte, dikke snavel, een gele iris en (bij volwassen vogels) gebandeerde onderdelen. De tuinfluiter Sylvia borin is kleiner, bruingrijs en heeft een korte, stompe snavel. De grote karekiet Acrocephalus arundinaceus is warmbruin, met een afgeronde staart, en leeft in riet.

Leefgebied

Dicht, hoog doornstruweel en acaciaclusters in savanne, vooral rond termietenheuvels en langs droge rivierbeddingen, en dichte stukken in gemengd bosveld. Foerageert laag tot middelhoog in het dichte gebladerte op insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied vooral in het oosten van Botswana, het zuiden en westen van Zimbabwe en in Zuid-Afrika in Limpopo, Noordwest, Gauteng en Mpumalanga; schaarser in het noordoosten van Namibië, het zuiden van Zambia, Malawi en Mozambique. Broedt in Zuidoost-Europa, Turkije en de Levant en overwintert in Oost- en zuidelijk Afrika, van Kenia en Tanzania zuidwaarts.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van december tot maart; zoek in dichte acaciastruiken in bijvoorbeeld het Mapungubwe- en Marakele-gebied, het Pilanesberg-gebied of het zuiden van het Krugerpark, en luister naar de lage, schurende zang en het harde tsjak. Wacht bij een struik waar de zang uit komt; de vogel laat zich soms kort zien aan de rand, waarbij de lange snavel en het witte vleugelpaneel opvallen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De broedpopulatie is klein en versnipperd en neemt plaatselijk af door verlies van olijfgaarden en struikgewas in het broedgebied. In zuidelijk Afrika is de soort schaars en onopvallend, en weinig bekend.

Wetenschappelijke naam

Hippolais olivetorum | (Strickland, 1837)

Strickland beschreef de soort in 1837 als Salicaria olivetorum; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Hippolais werd in 1827 ingevoerd door Conrad von Baldenstein. Hippolais gaat terug op het Griekse hupolais, een klein vogeltje bij Aristoteles, door Linnaeus verkeerd gespeld; het woord is mogelijk klanknabootsend of gevormd uit hupo 'onder' en laas 'steen'. olivetorum is Latijn voor 'van de olijfgaarden', naar de begroeiing waarin de vogel broedt. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zakynthos in Griekenland.