Alle soorten › Zangvogels › Prachtvinken › Gewoon ekstertje

Gewoon ekstertje | Spermestes cucullata

Bronze Mannikin | Capuchino Bronceado

Het gewoon ekstertje is het kleinste en algemeenste ekstertje van het gebied: een donkerkoppig, bruin en wit prachtvinkje dat in hechte groepjes door grasranden, tuinen en bosranden trekt. Aan de glanzend groene schoudervlek dankt het zijn Engelse naam.

Gewoon ekstertje (Spermestes cucullata)
Foto: gisela gerson lohman-braun — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een droog, zoemend tsjik-tsjik of krrr-krrr, vooral bij opvliegen en als contactroep binnen de groep. De zang is een zacht, piepend en krassend reeksje tonen, voorgedragen met opgezette veren en een grasspriet in de snavel.

Luister: RoepXC1079624

Opname: African Bioacoustics Community — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

9–10 cm, klein en gedrongen, met een korte, kegelvormige snavel waarvan de bovensnavel zwart en de ondersnavel blauwgrijs is. Kop, keel en bovenborst zijn donker zwartbruin met een groene tot paarse glans; op de schouder zit een kleine, glanzend flessengroene vlek. Rug en vleugels zijn dofbruin, de stuit is fijn zwart-wit gebandeerd en de staart is zwart. De onderdelen zijn wit, met bruin-zwarte bandering op de flanken. De seksen zijn gelijk. Jongen zijn egaal grijsbruin van boven en vaalbruin van onderen, zonder donkere kap, met een donkere snavel.

Verwarrings­soorten

Het glansekstertje (Spermestes bicolor) heeft in het gebied een kastanjerode rug, een geheel zwarte kop en borst en een blauwgrijze snavel, en mist de groene schoudervlek. Het reuzenekstertje (Spermestes fringilloides) is duidelijk groter en zwaarder gesnaveld, met een zwarte kap, een roodbruine flankvlek en een bruine rug met lichte schachtstreepjes. Jonge vogels kunnen op jonge astrilden lijken, maar de tweekleurige snavel en het gezelschap van volwassen vogels maken het duidelijk.

Leefgebied

Grasrijke randen van bos en bosveld, oeverstruweel, akkerranden, braakland, parken en tuinen, vooral in vochtige streken. Leeft in groepjes van vijf tot twintig vogels die samen foerageren op rijpe graszaden en samen overnachten in oude of speciaal gebouwde slaapnesten. Het nest is een losse bal van gras in een struik of boom.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Het hele oosten en noorden van het gebied: van de Oost-Kaap via KwaZoeloe-Natal, Mpumalanga en Limpopo naar Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia en Angola, en in het noorden van Botswana en de Caprivistrook; ontbreekt in het droge westen. Daarbuiten over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara; ingevoerd op Puerto Rico.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond in tuinen en langs grasranden in vochtige streken, het best bij een voedertafel met gierst of bij rijpend gras. Let op groepjes die dicht tegen elkaar op één tak zitten en elkaar poetsen. De groene schoudervlek is alleen in goed licht te zien; de tweekleurige snavel is het snelste kenmerk.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; algemeen en profiteert van tuinen, akkerranden en ruige bermen. Wordt plaatselijk gevangen voor de kooivogelhandel, zonder merkbare invloed op de stand.

Wetenschappelijke naam

Spermestes cucullata | Swainson, 1837 (GBIF: Lonchura cucullata)

Swainson beschreef de soort in 1837 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Spermestes voerde hij in datzelfde werk in. Spermestes komt van het Griekse sperma, 'zaad', en -estēs, 'eter' (van esthiō, 'eten') — naar het dieet van graszaden. cucullata is Latijn voor 'met een kap' — naar de donkere kop, die als een kapje afsteekt tegen de rest van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Senegal.