Alle soorten › Steltloperachtigen › Meeuwen en sterns › Dwergstern
Dwergstern | Sternula albifrons
Little Tern | Charrancito Común
De dwergstern is een kleine, levendige stern die in Europa en Azië broedt en in het gebied vooral als wintergast langs de oostkust verschijnt. Hier is hij vrijwel altijd in winter- of overgangskleed te zien, waardoor hij langs de kust met de inheemse Damarastern kan worden verward.
Geluid
Een snel, schel en hoog kiriet of kie-ik, en een haastig kwetterend kirrikikki tijdens achtervolgingen. In het overwinteringsgebied weinig roepend, behalve op gezamenlijke rustplaatsen.
Opname: David Darrell-Lambert — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 23 cm, met smalle, spitse vleugels en een korte, gevorkte staart. In winterkleed zijn voorhoofd en voorkruin wit, de achterkruin en nek zwart, en loopt een zwarte oogstreep naar voren tot vlak voor het oog. De snavel is dan zwart, soms met een gelige basis, de poten zijn doffer geel tot bruinachtig. De rug is lichtgrijs en contrasteert met de witte stuit en staart. De buitenste twee of drie handpennen zijn donkergrijs en vormen een donkere wig aan de vleugelvoorrand; jonge vogels hebben bovendien een donkere voorvleugelband. In broedkleed, dat hier alleen in maart en april deels te zien is, heeft de vogel een gele snavel met zwarte punt, oranjegele poten en een scherp afgebakende witte voorhoofdsvlek.
Verwarringssoorten
De Damarastern Sternula balaenarum heeft een langere, iets gebogen, geheel zwarte snavel, een egaal grijze stuit en staart en donkere poten. Saunders' dwergstern Sternula saundersi heeft een grijze stuit en staart, drie tot vier donkere buitenste handpennen met zwarte schachten, en in broedkleed een recht afgesneden witte voorhoofdsvlek die niet achter het oog doorloopt. De witvleugelstern Chlidonias leucopterus in winterkleed heeft een kortere, nauwelijks gevorkte staart, jaagt boven zoet water en duikt niet.
Leefgebied
Ondiepe kustwateren: estuaria, lagunes, baaien en de rustige zee net buiten de branding. Rust in groepjes op zandbanken en stranden, vaak tussen andere sterns. Jaagt door snel en herhaald te bidden en dan loodrecht in het water te duiken op kleine visjes en garnalen. Komt zelden landinwaarts.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
Vooral langs de kust van Mozambique en KwaZoeloe-Natal, met de grootste aantallen in de estuaria rond Maputo, Inhambane en Richardsbaai; schaarser langs de zuidkust van Zuid-Afrika. Aan de westkust in kleinere aantallen, onder meer rond Walvisbaai in Namibië en langs de kust van Angola. Broedt van West-Europa en Noord-Afrika tot Oost-Azië en overwintert verder langs de kusten van Afrika, Zuid-Azië en Australazië.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Zoek op hoogwaterrustplaatsen in estuaria langs de oostkust tussen november en maart, waar dwergsterns tussen grotere sterns op zandbanken zitten. Let bij elke kleine stern op de kleur van stuit en staart en op de lengte en vorm van de snavel. Aan de westkust is elke kleine stern van oktober tot april zorgvuldig te controleren op Damarastern.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd. De wereldpopulatie is groot, al zijn broedkolonies in Europa gevoelig voor verstoring op stranden. In het overwinteringsgebied vormen verstoring van rustplaatsen en achteruitgang van estuaria de belangrijkste zorgen.
Wetenschappelijke naam
Sternula albifrons | (Pallas, 1764)
Pallas beschreef de soort in 1764 als Sterna albifrons; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Sternula werd in 1822 ingevoerd door Boie. Sternula is een Latijnse verkleinvorm van Sterna en betekent dus 'sterntje'. albifrons is Latijn, van albus 'wit' en frons 'voorhoofd', naar het witte voorhoofd boven de zwarte kap. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit het Maasland in Nederland.
