Alle soorten › Zangvogels › Wevers › Driekleurwever

Driekleurwever | Ploceus tricolor

Yellow-Mantled Weaver | Tejedor Tricolor

De driekleurwever is een opvallende boomkruinwever van het Centraal-Afrikaanse regenwoud, die in het gebied alleen in het noorden van Angola voorkomt. Hij is zwart en diep kastanjebruin, met een heldergele band over de bovenrug. Hij leeft hoog in de bomen, vaak in gemengde groepen, en wordt ondanks zijn felle kleuren vaak over het hoofd gezien.

Driekleurwever (Ploceus tricolor)
Foto: Zac Peterson — CC BY 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een reeks hoge, dunne en sissende tonen, afgewisseld met een schurend gekwetter; de roep is een scherp tsjip of een droog tsjk. Vaak het eerste teken van aanwezigheid in de boomkruin, voordat de vogel zich laat zien.

Luister: ZangXC954924

Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

16–18 cm; een forse, langstaartige boswever met een zware, zwarte snavel. Kop, keel, vleugels en staart zijn zwart; over de bovenrug loopt een brede, heldergele halve maan of band, die in vlucht en van achteren het meest opvalt. De onderzijde is diep kastanjebruin tot kastanjerood. Het oog is roodachtig en de poten zijn donker. De seksen lijken sterk op elkaar; het vrouwtje is iets doffer. Jonge vogels zijn doffer bruin, met een minder heldere gele rugband en een lichtere snavel. Klimt en zoekt als een boomklever langs takken en tussen bladeren en klimplanten.

Verwarrings­soorten

De woudwever (Ploceus bicolor) is ook een boomkruinwever met een donkere bovenzijde, maar heeft een gele onderzijde en geen gele rugband. De kuifprachtwever (Malimbus malimbicus) en de roodkopprachtwever (Malimbus rubricollis) zijn zwart met rood op de kop en missen de kastanjebruine onderzijde en de gele rugband. Het mannetje van de fluweelwever (Ploceus nigerrimus) is geheel zwart met een geel oog en broedt in open kolonies in dorpen. De combinatie van zwarte kop, gele rugband en kastanjebruine buik is uniek.

Leefgebied

Hoog regenwoud, galerijbos en oude secundaire bossen met hoge bomen, waar hij in de kruin en tussen klimplanten foerageert; komt soms lager aan bosranden en open plekken. Sluit zich vaak aan bij gemengde foerageergroepen. Eet vooral insecten, daarnaast vruchten en nectar. Broedt solitair of in kleine groepjes; het nest hangt hoog aan het uiteinde van een tak of klimplant.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het noorden van Angola, in de bossen van Cabinda en de noordelijke provincies, zuidwaarts langs de bosranden van de escarpment. Daarbuiten door de bosgordel van West- en Centraal-Afrika, van Sierra Leone tot het westen van Oeganda en het zuiden van Congo-Kinshasa.

  • Jaarrond
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Zoek in hoog bos in het noorden van Angola naar gemengde groepen in de boomkruin en luister naar dunne, sissende roepen. De gele rugband is het beste kenmerk wanneer de vogel van boven of in vlucht te zien is; van onderen valt vooral het contrast tussen zwarte keel en kastanjebruine buik op. Een telescoop of goede verrekijker is vrijwel onmisbaar.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd; wijdverspreid in het Centraal-Afrikaanse regenwoud. Plaatselijk gevoelig voor boskap, vooral aan de randen van het areaal zoals in Angola.

Wetenschappelijke naam

Ploceus tricolor | (Hartlaub, 1854)

Hartlaub beschreef de soort in 1854 als Hyphantornis tricolor; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ploceus werd in 1816 ingevoerd door Cuvier, GLCFD. Ploceus komt van het Griekse plokeus, 'vlechter, wever', naar het bolvormige, strak gevlochten nest waar wevers hun naam aan danken. tricolor is Latijn voor 'driekleurig' — naar het zwart, geel en kastanjebruin van het mannetje. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sierra Leone.