Alle soorten › Steltloperachtigen › Vorkstaartplevieren › Driebandrenvogel

Driebandrenvogel | Rhinoptilus cinctus

Three-Banded Courser | Corredor Escamoso Grande

De driebandrenvogel is een grote, nachtactieve renvogel van droog bosveld in de laaglanden, met een grote kop, grote ogen en een ingewikkeld patroon van banden op hals en borst. Binnen Zuid-Afrika is hij een zeldzaamheid van het uiterste noorden van het Krugerpark en een van de meest gezochte nachtvogels van de regio.

Driebandrenvogel (Rhinoptilus cinctus)
Foto: Steve Garvie from Dunfermline, Fife, Scotland — CC BY-SA 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Vooral 's nachts een ver dragende, versnellende reeks, ka-ka-ka-ka-kaa-kaa, eerst stijgend en dan dalend, en een zacht kie-woe; overdag stil.

Luister: RoepXC210304

Opname: Andrew Spencer — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

25–28 cm. Bovendelen bruin, geschubd met donkere centra en rossige randen. De kop is groot, met een bleke wenkbrauw, een donkere streep achter het oog, een roestbruine vlek op de oorstreek en een groot donker oog. Op de lichte hals vormen donkere streepjes een V; daaronder volgt een brede roestbruine borstband, aan de onderkant begrensd door een smalle zwarte band, en dan een witte buik. De snavel is zwart met een gele basis, de poten zijn geelachtig. In de vlucht een witte band over de bovenstaartdekveren en donkere slagpennen. De seksen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De bronsvleugelrenvogel Rhinoptilus chalcopterus is iets groter en donkerder, met een egaal grijsbruine borstband, een witte keel, een rode oogring en rode poten. De dubbelbandrenvogel Smutsornis africanus is kleiner, bleker en fijner geschubd, met twee smalle zwarte borstbanden, en leeft op kale vlakten in het droge westen.

Leefgebied

Droog bosveld in de laaglanden, vooral mopane en gemengd bosveld op zandgrond, met verspreide struiken en open plekken, ook dicht acaciabos en ruig terrein langs droge rivierbeddingen. Rust overdag onder een struik, soms half ingegraven in het zand, en foerageert 's nachts op insecten. Het nest is een kuiltje waarin de twee eieren gedeeltelijk in het zand worden begraven.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied vooral in de dalen van de Zambezi, de Luangwa en de Limpopo: het oosten van Zambia, Zimbabwe (Zambezivallei en het zuidoostelijke laagveld), Mozambique, het noorden van Botswana, het noordoosten van Namibië (Zambezi-regio) en het zuiden van Angola. In Zuid-Afrika zeldzaam en beperkt tot het uiterste noorden van het Krugerpark en de Limpopovallei. Daarbuiten in Oost-Afrika, van Zuid-Soedan, Ethiopië en Somalië tot Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Doe mee aan een nachtrit in het noorden van het Krugerpark (rond Pafuri of Punda Maria) of zoek in de Zambezivallei of het laagveld van Zimbabwe, liefst in de droge tijd. Luister na zonsondergang naar de versnellende roepreeks en speur met een lamp de randen van wegen af. Overdag soms te vinden onder mopanestruiken, dankzij de zeer rustige houding.

Staat van instandhouding

Wereldwijd niet bedreigd, maar in het gebied weinig bekend en in Zuid-Afrika schaars en gebonden aan een klein gebied. Verlies van bosveld aan landbouw en verstoring langs wegen vormen plaatselijke bedreigingen.

Wetenschappelijke naam

Rhinoptilus cinctus | (Heuglin, 1863)

Heuglin beschreef de soort in 1863 als Hemerodromus cinctus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Rhinoptilus werd in 1852 ingevoerd door Strickland. Rhinoptilus komt van het Griekse rhis (genitief rhinos), 'neusgaten', en ptilon, 'veer' — volgens Strickland (1852) naar de ver naar voren reikende voorhoofdsveren. cinctus is Latijn voor 'omgord' — naar de banden over hals en borst. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit bij Gondokoro aan de Witte Nijl, Zuid-Soedan.