Alle soorten › Roofvogels › Havikachtigen › Donkere zanghavik
Donkere zanghavik | Melierax metabates
Dark Chanting Goshawk | Azor Lagartijero Oscuro
De donkere zanghavik is een slanke, langbenige grijze havik van het vochtiger bosveld, de oostelijke tegenhanger van de zanghavik. Hij dankt zijn naam aan de melodieuze, fluitende zang die hij in het broedseizoen bij zonsopkomst vanaf een boomtop laat horen. Jaagt vanaf een zitplaats op hagedissen, grote insecten, kleine zoogdieren en vogels, en loopt ook op de grond.
Geluid
In het broedseizoen een melodieus, fluitend kluu-kluu-kluu-kluu of kliee-kliee-klu-klu-klu, vaak lang herhaald vanaf een boomtop bij dageraad, waaraan de naam ‘zanghavik’ te danken is. Verder een scherp, schril kiep.
Opname: Robert Davis — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
50–56 cm, spanwijdte 95–110 cm. Volwassen vogels zijn van boven, op kop en borst middengrijs, donkerder dan de zanghavik; de buik is fijn grijs-wit gebandeerd. De stuit is fijn grijs gebandeerd en lijkt in het veld grijs, niet wit. De armpennen zijn grijs, zodat de bovenvleugel weinig contrast toont met de zwarte handpennen. Washuid en lange poten zijn helder oranjerood, de ogen donker. De staart is lang en gebandeerd. Het vrouwtje is groter. Jonge vogels zijn bruin, met een gestreepte borst, een gebandeerde buik, gele poten en een gele washuid.
Verwarringssoorten
De zanghavik Melierax canorus is lichter grijs, heeft een witte stuit en witte armpennen die in vlucht een groot licht vleugelveld vormen; hij leeft in drogere, meer open streken, maar in het westen van Zimbabwe en het oosten van Botswana overlappen de soorten. De gabarhavik Micronisus gabar is veel kleiner, met een witte stuit bij volwassen vogels. De hagedisbuizerd Kaupifalco monogrammicus is kleiner en gedrongener, met een zwarte keelstreep en een witte staartband. Jonge vogels lijken op jonge Afrikaanse haviken Aerospiza tachiro, die echter kortere poten hebben en in dichter bos leven.
Leefgebied
Vochtiger en dichter bosveld dan de zanghavik: miombo, gemengd bosveld, mopaneveld en brede-bladsavanne, ook rond landbouwgrond met hoge bomen. Zit vaak rechtop op een opvallende boomtop of paal en valt op prooi op de grond; volgt soms honingdassen of slangenarenden om opgejaagde prooi te grijpen. Het nest ligt in een boomvork op middelhoogte.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het noorden en oosten van het gebied: Angola, Zambia, Malawi, Mozambique, Zimbabwe, het noorden en oosten van Botswana, het noorden van Namibië met de Caprivi-strook en het noordoosten van Zuid-Afrika (Limpopo en het Mpumalanga-laagveld). Verder in savannes van Afrika ten zuiden van de Sahara, van Senegal tot Ethiopië en Tanzania, met een geïsoleerde populatie in het zuidwesten van Marokko en in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland.
- Jaarrond
- Zomergast (ca. okt–mrt)
- Wintergast (ca. apr–sep)
- Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
- donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Hoe en wanneer kijken
Rijd in het broedseizoen, augustus–november, vroeg in de ochtend door miombo of gemengd bosveld en luister naar de fluitende zang. Een grote grijze havik op een paal langs de weg in Zimbabwe, Zambia of Malawi is meestal deze soort; in het westen van Zimbabwe en in het oosten van Botswana moet op de stuit worden gelet om hem van de zanghavik te onderscheiden.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd; vrij algemeen in geschikt bosveld. Plaatselijk minder talrijk door ontbossing, vergiftigd aas en vervolging, maar de soort gebruikt ook half-open landbouwgebied en de populatie wordt als stabiel beschouwd.
Wetenschappelijke naam
Melierax metabates | Heuglin, 1861
Heuglin beschreef de soort in 1861 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Melierax werd in 1840 ingevoerd door Gray. Melierax komt van het Griekse melos, 'lied', en hierax, 'havik' — naar de melodieuze, fluitende roep van de zanghaviken in de broedtijd. metabates komt van het Griekse metabatēs, 'springer, voltigeur', van meta, 'verandering', en batēs, 'die treedt' (van bainō, 'gaan'). Het eerst beschreven exemplaar kwam uit de Witte Nijl tussen 6° en 7° NB, Zuid-Soedan.


