Alle soorten › Koekoeksvogels › Koekoeken › Diederikkoekoek

Diederikkoekoek | Chrysococcyx caprius

Diederik Cuckoo | Cuclillo Didric

De diederikkoekoek is een kleine, metaalglanzende koekoek die zijn naam dankt aan zijn roep: een heldere, klimmende reeks die-die-die-diederik die in de zomer vrijwel overal in het gebied klinkt. Hij parasiteert vooral op wevers, bisschoppen en mussen en is daardoor te vinden van rietkolonies tot stadstuinen. Van de drie glanskoekoeken van het gebied is hij verreweg de meest verspreide.

Diederikkoekoek (Chrysococcyx caprius)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een heldere, klimmende en luide reeks, die-die-die-diederik, vaak vele malen herhaald en door het mannetje zowel vanaf een uitkijkpost als in de vlucht gegeven. Het vrouwtje roept een zacht, klaaglijk diejee-diejee. Een van de meest gehoorde zomergeluiden van het gebied, ook in de middaghitte.

Luister: ZangXC1176979

Opname: Jaap van der Waarde — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

18–20 cm. Het mannetje is van boven glanzend metaalgroen met een brons- of koperglans, met opvallende witte vlekken op de vleugeldekveren en de binnenvlag van de slagpennen en witte toppen aan de buitenste staartpennen. Voor en achter het oog loopt een witte streep, onderbroken door een groene oogstreep; de iris en de oogring zijn rood. De onderdelen zijn wit, met groene bandering op de flanken. Het vrouwtje is bronziger, met een geelbruin getinte keel en borst en meer bandering op de flanken. Jonge vogels hebben een opvallend koraalrode snavel, rossig gebandeerde bovendelen en gevlekte onderdelen. Vliegt snel en recht, vaak in achtervolgingen.

Verwarrings­soorten

Klaas' koekoek Chrysococcyx klaas is iets kleiner, mist de witte vlekken in de vleugel en heeft alleen een wit vlekje achter het oog, en een donker oog. De smaragdkoekoek Chrysococcyx cupreus is bij het mannetje helder smaragdgroen met een gele buik; vrouwtjes zijn over de hele onderzijde groen gebandeerd. Bij twijfel geeft de roep uitsluitsel.

Leefgebied

Vrijwel alle open en halfopen landschappen met wevers en bisschoppen: acaciasavanne, bosveld, rietkragen en oeverstruweel langs dammen en rivieren, boerenland, parken en tuinen, tot in de randen van de Karoo. Eet vooral harige rupsen, daarnaast andere insecten. Belangrijke gastheren zijn onder meer de zuidelijke maskerwever Ploceus velatus, de grote textorwever Ploceus cucullatus, de grenadierwever Euplectes orix en de Kaapse mus Passer melanurus.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Als zomergast in het hele gebied, van Angola, Zambia, Malawi en Mozambique door Zimbabwe, Botswana en Namibië tot in heel Zuid-Afrika, Lesotho en Eswatini; alleen schaars in de kale Namib en de hoogste delen van Lesotho. In het noorden van het gebied blijven sommige vogels jaarrond. Daarbuiten verspreid over vrijwel heel Afrika ten zuiden van de Sahara en in het zuidwesten van het Arabisch Schiereiland.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Oktober tot februari bij een weverkolonie in riet of een boom boven water: de mannetjes roepen vanaf een kale tak en de wevers alarmeren luid als een koekoek te dicht bij de nesten komt. Let later in de zomer op jonge koekoeken met rode snavels die bedelend achter een wever of bisschop aan zitten.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en algemeen over een zeer groot areaal. In het gebied profiteert de soort van de talrijke wevers en bisschoppen in boerenland, rond dammen en in tuinen; er zijn geen aanwijzingen voor afnames.

Wetenschappelijke naam

Chrysococcyx caprius | (Boddaert, 1783)

Boddaert beschreef de soort in 1783 als Cuculus caprius; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Chrysococcyx werd in 1826 ingevoerd door Boie. Chrysococcyx komt van het Griekse chrysos, 'goud', en kokkyx, 'koekoek' — naar de metaalglanzende, groen-gouden bovendelen. caprius is volgens Jobling afgeleid van het Latijnse cupreus, 'koperkleurig' — naar de metaalglans van het verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kaap de Goede Hoop.