Alle soorten › Zangvogels › Buulbuuls › Cabanis' loofbuulbuul

Cabanis' loofbuulbuul | Phyllastrephus cabanisi

Cabanis's Greenbul | Bulbul de Cabanis

Cabanis' loofbuulbuul is een olijfkleurige, luidruchtige buulbuul van de ondergroei van groenblijvend bos in het noorden van het gebied. De taxonomie van de soort is niet eenduidig: de vogels in Malawi en het noorden van Mozambique worden door verschillende lijsten als aparte soort, Phyllastrephus placidus, behandeld.

Cabanis' loofbuulbuul (Phyllastrephus cabanisi)
Foto: Alex — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Luidruchtig. Een droog tsjuk, een nasaal njèèh en een lang, schurend gekwetter, tsjrr-tsjrr-tsjrr-tsjrrrrr, vaak door de hele groep. De zang is een korte reeks oplopende, kwetterende tonen.

Luister: ZangXC811166

Opname: GABRIEL LEITE — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

17–19 cm. De bovenzijde is olijfbruin tot olijfgroen, de kruin iets grijzer, stuit en staart warmer roestbruin. De keel is wit tot vuilwit, de borst en flanken olijfgrijs tot olijfgeel, de buik bleekgeel tot geelbruin. De snavel is vrij lang en slank, donker met een lichtere ondersnavel; de irisskleur varieert per populatie van bruin tot lichtgrijs. De poten zijn grijsroze. De seksen zijn gelijk, het mannetje is groter; jonge vogels zijn roestiger van boven. De verschillen met verwante loofbuulbuuls zijn in het veld klein.

Verwarrings­soorten

De grijze loofbuulbuul Phyllastrephus cerviniventris is grijzer van kop en reebruin, niet geelachtig, van onder, en leeft in oeverstruweel op lagere hoogte. De gestreepte loofbuulbuul Phyllastrephus flavostriatus heeft een grijze kop, gele borststreepjes en schokt met één vleugel. Fischers loofbuulbuul Phyllastrephus fischeri vervangt de soort in de kustbossen van Noord-Mozambique. In Angola verschilt de Angolaloofbuulbuul Phyllastrephus fulviventris door zijn bleker olijfkleurige bovenzijde en warm geelbruine onderzijde en door zijn verspreiding in het noordwesten. Stem, habitat en gebied zijn in deze groep belangrijker dan kleur.

Leefgebied

Ondergroei en middelste etage van groenblijvend bos: in Angola en Noordwest-Zambia vooral moerassig galerijbos (mushitu) en oeverbos, in Malawi en Noord-Mozambique middelhoog en montaan bos en beboste kloven. Leeft in groepjes van drie tot acht die dicht gebladerte afzoeken naar insecten, vaak met gemengde foerageergroepen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Angola in het noorden en noordoosten, onder meer in de Lunda-provincies. In Zambia in het noordwesten (Mwinilunga) en in het noorden en noordoosten. In Malawi in bos van het noorden en midden, onder meer de Misuku, Nyika en Viphya, en in de hooglanden van Noord-Mozambique; dit zijn de vogels die soms als placidus worden afgesplitst. Buiten het gebied in Congo-Kinshasa, Rwanda, Burundi, Oeganda, Kenia en Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond. In mushitu-bos in Noordwest-Zambia en in de bossen van Noord-Malawi is het schurende groepsgekwetter vaak het eerste teken; volg het geluid en kijk laag in de ondergroei. Noteer bij waarnemingen in Malawi en Mozambique de hoogte en het bostype, en neem het geluid op, zodat de gegevens bruikbaar blijven als de taxonomie verandert.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in geschikt bos vrij algemeen. Verlies en versnippering van groenblijvend bos door landbouw en kap, en de aantasting van mushitu door branden, zijn plaatselijk een bedreiging.

Wetenschappelijke naam

Phyllastrephus cabanisi | (Sharpe, 1882)

Sharpe beschreef de soort in 1882 als Criniger cabanisi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Phyllastrephus werd in 1832 ingevoerd door Swainson. Phyllastrephus komt van het Griekse phullon, 'blad', en een vorm van strephō, 'omkeren' — 'bladomdraaier', naar het zoeken naar insecten tussen het gebladerte. cabanisi eert de Duitse ornitholoog Jean Cabanis (1816–1906), die de soort eerder onder een andere, al bezette naam had beschreven. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Angola (niet nader bepaald).