Alle soorten › Zangvogels › Graszangers › Bruinkopgraszanger

Bruinkopgraszanger | Cisticola fulvicapilla

Neddicky | Cistícola Coronirrufo

De bruinkopgraszanger is een kleine, ongestreepte cisticola van bosveld en grazige hellingen, met een effen roodbruine kap en een eentonig, piepend liedje dat hij eindeloos vanaf een boomtak herhaalt. Hij is een van de weinige cisticola's die zich graag in bomen ophoudt, en in grote delen van het gebied de algemeenste graszanger buiten het open grasland.

Bruinkopgraszanger (Cisticola fulvicapilla)
Foto: Derek Keats from Johannesburg, South Africa — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Een eentonige, snel herhaalde reeks van hoge, piepende tonen, tsjie-tsjie-tsjie-tsjie of wiep-wiep-wiep, minutenlang vanaf dezelfde tak, in het zuiden ook als een drogere reeks tsjirri-tsjirri-tsjirri. De alarmroep is een snel, droog tik-tik-tik, vaak met wippende staart.

Luister: ZangXC804936

Opname: Maarten Sluijter — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 10–11 cm, compact, met een vrij korte staart die vaak omhoog wordt gewipt. De kruin is effen warm roodbruin, scherp begrensd; de mantel en rug zijn effen grijsbruin zonder strepen, wat hem onderscheidt van vrijwel alle andere cisticola's in zijn leefgebied. De vleugelranden zijn bruin, de staart grijsbruin met een donkere subterminale band en lichte punten. De onderdelen zijn in het zuiden en westen (ras fulvicapilla en silberbauer) blauwgrijs, in het noorden en oosten (ras dumicola) warm okerkleurig. De seksen zijn gelijk en er is nauwelijks verschil tussen broed- en niet-broedkleed. Zingt vanaf een tak in een boom of struik, niet in de lucht.

Verwarrings­soorten

De Taboragraszanger Cisticola angusticauda in het noorden van Zambia lijkt sterk maar heeft een duidelijk langere, dunne staart en een iets ander, hoger liedje. De kortvleugelgraszanger Cisticola brachypterus is even klein maar heeft een bruine, niet roodbruine kruin en zingt vanuit de top van een boom een ijl, dalend liedje. De langstaartgraszanger Cisticola aberrans heeft ook een roodbruine kruin en ongestreepte rug maar is groter, langstaartig, en leeft op rotsige hellingen met een klaaglijke, jammerende zang. De rotsgraszanger Cisticola subruficapilla heeft een gestreepte grijze rug. De combinatie van een effen rode kap, een geheel ongestreepte rug en een eentonig herhaalde zang vanaf een boomtak is kenmerkend.

Leefgebied

Open bosveld en savanne met een grasondergroei, miombo, grazige hellingen met struiken, bosranden, fynbos en struikgewas in de Kaap, plantages en grote tuinen. Houdt zich op in struiken en lage bomen en foerageert laag op insecten, vaak op de grond. Het nest is een bal van gras met zijingang, laag in een grasbos of struik.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Wijdverbreid in de oostelijke en zuidelijke helft van het gebied: in Zuid-Afrika van de West-Kaap langs de zuidkust naar de Oost-Kaap en vandaar over KwaZoeloe-Natal, de Vrijstaat, Gauteng, Mpumalanga, Noordwest en Limpopo; verder in Lesotho, Eswatini, Zimbabwe, Mozambique, Malawi, Zambia, het oosten en noorden van Botswana, de Zambezi-regio van Namibië en het midden en oosten van Angola. Ontbreekt in de droge Karoo, de Kalahari en het grootste deel van Namibië. Buiten het gebied alleen in het zuiden van de DR Congo en het zuidwesten van Tanzania.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Jaarrond; het beste te vinden aan de hand van de zang, die ook in de winter te horen is. Loop door grazig bosveld of langs een struikrijke helling en luister naar het eentonig herhaalde gepiep; de vogel zit vaak op een zichtbare tak halverwege een boom. Let op de effen rug: een cisticola met rode kap en zonder rugstrepen in bosveld is bijna altijd een bruinkopgraszanger. In de Kaap (ras met grijze onderdelen) ook in fynbos en op grazige berghellingen.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in het grootste deel van het areaal algemeen. Past zich goed aan aan tuinen, plantageranden en licht verstoord bosveld. Plaatselijk teruggang door ontbossing en het omzetten van grazig bosveld in akkerland.

Wetenschappelijke naam

Cisticola fulvicapilla | (Vieillot, 1817)

Vieillot beschreef de soort in 1817 als Sylvia fulvicapilla; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Cisticola werd in 1829 ingevoerd door Kaup. Cisticola is gevormd uit het Griekse kisthos 'cistusroos' en het Latijnse colere 'bewonen'. fulvicapilla komt van het Latijnse fulvus, 'geelbruin', en capillus, 'hoofdhaar' — naar de warmbruine kruin. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Graaff-Reinet, Oost-Kaap, Zuid-Afrika.