Alle soorten › Zangvogels › Honingzuigers › Bronshoningzuiger

Bronshoningzuiger | Nectarinia kilimensis

Bronze Sunbird | Suimanga Bronceado

De bronshoningzuiger is een langstaartige honingzuiger van de hooglanden, waarvan het mannetje van dichtbij glanst in brons en koper maar op afstand zwart lijkt. Binnen het gebied is hij vooral bekend uit de oostelijke hooglanden van Zimbabwe.

Bronshoningzuiger (Nectarinia kilimensis)
Hoofdfoto · Foto: Romain Boisseau — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Klik op een duimnagel om de foto hierboven te wisselen.

Geluid

Een luid, dubbel tsjie-tsjie of tsjiep-tsjuip, vaak herhaald. Het gezang is een hoog, snel en wat schril gekwetter dat met een dalende reeks eindigt, gebracht vanaf een boomtop of een hoge struik.

Luister: RoepXC1081976

Opname: Jonathan Onongo — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

Het mannetje is 21 tot 23 cm inclusief de lange middelste staartpennen, het vrouwtje ongeveer 14 cm. Kop, rug en borst van het mannetje hebben een bronsgroene glans die in vol zonlicht koperkleurig oplicht; vleugels, buik en staart zijn zwart. Er zijn geen okselpluimen. Het vrouwtje is olijfgrijs boven met een lichte wenkbrauwstreep en een donkere oorvlek, en geelachtig onder met duidelijke donkere streepjes; de staart is kort en donker met lichte randen. Jonge mannetjes zijn als het vrouwtje met een zwartige keel. De snavel is lang en sterk gebogen.

Verwarrings­soorten

De emeraldhoningzuiger (Nectarinia famosa) is helder smaragdgroen met gele okselpluimen; zijn vrouwtje is nauwelijks gestreept. Het mannetje van de lobeliahoningzuiger (Nectarinia johnstoni) op het Nyika-plateau is groener, heeft een langere staart en rode okselpluimen. In Angola is het mannetje van Bocages honingzuiger (Nectarinia bocagii) donkerder, violetblauw geglansd met een zwarte buik. De amethisthoningzuiger (Chalcomitra amethystina) is fluweelzwart met een groene kruin en paarse keel en heeft een korte staart.

Leefgebied

Randen van bergbos, open plekken met varens en struiken, bergweiden met verspreide bomen, rivierdalen, plantages, dorpen en tuinen, meestal boven 1200 m. Bezoekt vooral bloeiende Leonotis, koraalbomen, aloë's en tuinplanten, en vangt insecten in korte vluchten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zimbabwe algemeen in de oostelijke hooglanden van Nyanga via de Vumba tot Chimanimani, en in het aangrenzende westen van Mozambique. Verder in de hooglanden van Malawi en het noordoosten van Zambia, en geïsoleerd in de hooglanden en het westelijke randgebergte van Angola. Daarbuiten in de hooglanden van Oost-Afrika tot Kenia, Oeganda en het oosten van Congo-Kinshasa.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Zimbabwe vaak te zien in tuinen, hotelterreinen en langs bosranden in de Vumba en bij Nyanga, vooral op bloeiende Leonotis. Kijk in zonlicht naar een mannetje om de bronsglans te zien; in schaduw lijkt de vogel volledig zwart. Een geel, fijn gestreept vrouwtje met lichte wenkbrauw hoort in deze hooglanden meestal bij deze soort.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort is plaatselijk algemeen en past zich goed aan tuinen en kleinschalige landbouw aan. Het verlies van bosranden en struweel door ontbossing en dennenplantages kan lokaal tot achteruitgang leiden.

Wetenschappelijke naam

Nectarinia kilimensis | Shelley, 1885

Shelley beschreef de soort in 1885 en plaatste haar meteen in het geslacht waarin ze nog altijd staat. Het geslacht Nectarinia werd in 1811 ingevoerd door Illiger. Nectarinia is afgeleid van het Griekse nektar, de godendrank uit de Griekse mythologie, via nektarinos, 'van nectar' — naar de bloemnectar waarvan honingzuigers leven. kilimensis betekent 'van de Kilimanjaro', de berg in Tanzania waar het eerste exemplaar werd verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Kilimanjaro, Tanzania (± 1500 m).