Alle soorten › Hoppen en neushoornvogels › Neushoornvogels › Blauwkeelneushoornvogel

Blauwkeelneushoornvogel | Ceratogymna atrata

Black-Casqued Hornbill | Cálao Casquinegro

De blauwkeelneushoornvogel is een grote, zwarte neushoornvogel van het Centraal-Afrikaanse regenwoud, die het gebied alleen in het uiterste noordwesten van Angola bereikt. Het mannetje draagt een enorme zwarte helm op de snavel en blauwe huidlellen aan de keel.

Blauwkeelneushoornvogel (Ceratogymna atrata)
Foto: Samuel Büttler — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

Een krachtig, nasaal balken, aank-aank-aank, tot op twee kilometer hoorbaar, bij het mannetje dieper en luider dan bij het vrouwtje. Daarnaast zacht gekakel en in vlucht het luide geruis van de vleugels.

Luister: DuetXC1011367

Opname: Matthew L. Brady — CC BY-NC-SA 4.0 · ingekort tot de eerste 60 s, mono · xeno-canto

Herkenning

Ongeveer 65 cm, grotendeels glanzend zwart. De staart is zwart met brede witte punten aan de buitenste pennen; de vleugels zijn geheel zwart. Het mannetje heeft een zware zwarte snavel met een hoge, cilindrische zwarte helm en naakte kobaltblauwe huid rond het oog en aan de keel, met hangende lellen. Het vrouwtje is kleiner, met een kastanjebruine kop en hals, een veel kleinere helm en eveneens blauwe gezichtshuid. Jonge vogels hebben een bleke snavel zonder helm. De vleugelslag is luid en ruisend.

Verwarrings­soorten

De grijsoorneushoornvogel (Bycanistes subcylindricus) heeft veel wit in de vleugels, een witte buik en een zwart-witte helm. De fluitneushoornvogel (Bycanistes fistulator) is veel kleiner en heeft een witte buik en witte vleugelranden. De trompetneushoornvogel (Bycanistes bucinator) heeft witte onderdelen en roze gezichtshuid en leeft in ander bos.

Leefgebied

Groenblijvend laaglandregenwoud en heuvelbos, ook oud secundair bos en plantages met grote bomen, tot ongeveer 1500 m. Leeft hoog in de kruin, waar hij vooral vruchten eet, vooral vijgen en oliepalmvruchten, aangevuld met insecten en kleine gewervelden. Zwerft in groepen achter vruchtdragende bomen aan. Broedt in holten in grote bomen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied alleen in het uiterste noordwesten van Angola: het Mayombe-bos van Cabinda en de bossen van de noordelijke provincies. Daarbuiten van Guinee en Sierra Leone door West- en Centraal-Afrika tot Zuid-Soedan, Oeganda en het Kongobekken, en op Bioko.

  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Het best te zoeken in het Mayombe-bos van Cabinda, waar de balkende roep en het geruis van de vleugels de vogels vaak eerder verraden dan het zicht. Groepen strijken neer in vruchtdragende vijgen en vliegen over open plekken en rivieren.

Staat van instandhouding

Volgens de IUCN gevoelig (Near Threatened). Het regenwoud waarvan de soort afhankelijk is, verdwijnt door houtkap en landbouw, en de grote vogels worden bejaagd voor vlees. In Angola is het kleine leefgebied bovendien versnipperd.

Wetenschappelijke naam

Ceratogymna atrata | (Temminck, 1835)

Temminck beschreef de soort in 1835 als Buceros atratus; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Ceratogymna werd in 1854 ingevoerd door Bonaparte. Ceratogymna komt van het Griekse keras, 'hoorn', en gymnos, 'kaal' — naar de hoornachtige helm op de snavel en de kale, blauwe huid rond oog en keel. atrata komt van het Latijnse atratus, 'in het zwart gekleed, in rouw' — naar het overwegend zwarte verenkleed. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Ashanti, Ghana.