Alle soorten › Stormvogelachtigen › Pijlstormvogels › Blauwe stormvogel
Blauwe stormvogel | Halobaena caerulea
Blue Petrel | Petrel Azulado
De blauwe stormvogel lijkt op het eerste gezicht een grote prion, maar is een aparte soort met een eigen geslacht, te herkennen aan de witte staartpunt en de donkere kopkap. Hij broedt op de Prins Edwardeilanden en bereikt in sommige winters in aantal de wateren voor de Kaap.
Geluid
Op zee zwijgzaam. Op de broedplaatsen 's nachts een zacht, duifachtig koeren, koo-koo-koo-ooh, vanuit de holen.
Opname: cgemard — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto
Herkenning
Ongeveer 30 cm, een slanke, blauwgrijze stormvogel met witte onderdelen. Over de bovenvleugel loopt een donkere M-tekening van vleugelpunt tot vleugelpunt, zoals bij de prionen. De kruin en achterhals zijn zwartachtig en vormen een donkere kap, met een wit voorhoofd en een donkere vlek onder het oog; aan de zijkant van de borst een donkere halve kraag. De staart is vierkant met een brede witte eindband, het beste kenmerk van de soort. De snavel is slank en zwart, de poten blauw met vleeskleurige zwemvliezen. Vliegt in wijde bogen en scheervluchten, met meer glijden dan prionen.
Verwarringssoorten
Alle prionen, zoals de Antarctische prion (Pachyptila desolata) en de breedbekprion (Pachyptila vittata), hebben een zwarte in plaats van een witte staartpunt, missen de donkere kopkap en vliegen met een grilliger, meer zwenkende vlucht. De donsstormvogel (Pterodroma mollis) en de Kerguelenstormvogel (Aphrodroma brevirostris) zijn groter en veel donkerder van boven, zonder M-tekening.
Leefgebied
Koude, open oceaan ten zuiden van de subtropische convergentie, in de winter noordwaarts tot boven de koele Benguelastroom. Foerageert vooral op krill, kleine vis en inktvis, dicht aan het wateroppervlak. Broedt in holen in venige grond tussen vegetatie op subantarctische eilanden.
Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.
Verspreiding en trek
In het gebied een broedvogel op Marion en Prince Edward, waar de vogels van september tot februari bij de kolonies zijn. Buiten de broedtijd een onregelmatige wintergast ver voor de kust van West- en Zuid-Kaap, in sommige jaren talrijk en dan ook aangespoeld op stranden na zware stormen, zelden verder oost tot KwaZulu-Natal. Daarbuiten broedt de soort op de Crozet- en Kerguelen-eilanden, Zuid-Georgia, Macquarie en de eilanden bij Kaap Hoorn, en zwerft rond de hele zuidelijke oceaan.
Hoe en wanneer kijken
Het best vanaf pelagische tochten vanuit Kaapstad in juli en augustus, liefst na een koufront uit het zuidwesten. Zoek tussen de prionen naar een wat grotere vogel met een helderwitte staartpunt; die is bij wegvliegende vogels het snelst te zien. Na stormen loont het om vloedlijnen aan de kust van het Schiereiland af te zoeken.
Staat van instandhouding
Niet bedreigd, met een wereldpopulatie van waarschijnlijk meer dan een miljoen paren. Op Marion heeft predatie door katten de kolonies lang onderdrukt; na de uitroeiing van de katten herstellen ze zich. Muizen en klimaatverandering in de Zuidelijke Oceaan blijven punten van zorg.
Wetenschappelijke naam
Halobaena caerulea | (Gmelin, 1789)
Gmelin beschreef de soort in 1789 als Procellaria caerulea; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Halobaena werd in 1856 ingevoerd door Bonaparte. Halobaena komt van het Griekse hals, 'zee', en bainō, 'lopen, treden' — naar een vogel die als het ware over de zee loopt. caerulea is Latijn voor 'blauw' — naar de blauwgrijze bovendelen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Zuidelijke Oceaan (niet nader bepaald).

