Alle soorten › Zangvogels › Zwaluwen › Blauw-zwarte kamzwaluw

Blauw-zwarte kamzwaluw | Psalidoprocne pristoptera

Black Saw-Wing | Golondrina Negra

De blauw-zwarte kamzwaluw is een geheel zwarte zwaluw met een diep gevorkte staart die traag en fladderend langs bosranden en door boskloven jaagt. De naam kamzwaluw verwijst naar de fijne haakjes aan de buitenvlag van de buitenste handpen, die in het veld niet te zien zijn.

Blauw-zwarte kamzwaluw (Psalidoprocne pristoptera)
Foto: Alandmanson — CC BY-SA 4.0 · Wikimedia Commons

Geluid

Weinig vocaal. Roept een zacht tsjip of tswiet; bij het nest en in de vlucht soms een zwak, droog getjilp en bij alarm een raspend tsjrrp.

Luister: VluchtroepXC236860

Opname: Martin St-Michel — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

14–16 cm, inclusief de lange buitenste staartpennen. Geheel dofzwart met een zwakke groenige tot olieachtige glans; bij goed licht glanzen rug en vleugels iets. De staart is diep gevorkt, bij het mannetje dieper dan bij het vrouwtje. De ondervleugeldekveren zijn in het zuiden van Zuid-Afrika donker, maar bij de vogels van de Oost-Zimbabwaanse hooglanden, Mozambique en Malawi (vaak als oostelijke kamzwaluw aangeduid) opvallend witachtig. Jonge vogels zijn bruinzwart en doffer, met een kortere staart. De vlucht is langzaam, fladderend en afgewisseld met glijvluchten, vaak laag boven boomkruinen, open plekken en wegen door bos.

Verwarrings­soorten

Gierzwaluwen, zoals de Kaapse gierzwaluw Apus barbatus, zijn groter, vliegen veel sneller met stijve sikkelvleugels en gaan nooit zitten; de kamzwaluw zit vaak op dode takken. De blauwe zwaluw Hirundo atrocaerulea is glanzend staalblauw met zeer lange staartspelden en jaagt boven berggrasland. De zwarte zwaluw Hirundo nigrita heeft een wit keelvlekje. De witkopkamzwaluw Psalidoprocne albiceps heeft een witte keel en, bij het mannetje, een witte kruin. De Kaapse rotszwaluw Ptyonoprogne fuligula is bruin met witte vlekjes in de gespreide staart.

Leefgebied

Randen en open plekken van berg- en kustbos, boskloven en rivierdalen, plantages van dennen en eucalyptus, en grasland dat aan bos grenst. Nestelt in een zelf gegraven gang in een aarden wal, een wegberm, een erosiegeul of een rivieroever.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In Zuid-Afrika van de zuidelijke Kaap bij Knysna oostwaarts door de Oost-Kaap en KwaZulu-Natal tot de escarpments van Mpumalanga en Limpopo, en in Eswatini; verder in de Oost-Zimbabwaanse hooglanden, het westen en midden van Mozambique, Malawi, grote delen van Zambia en Angola. Buiten het gebied tot in Oost-Afrika, Ethiopië en Eritrea en westwaarts tot Kameroen en Nigeria.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • Wintergast (ca. apr–sep)
  • Doortrek (mrt–apr, okt–nov)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

In Zuid-Afrika vooral van september tot april te zien langs bosranden en wegen door bos, zoals in de Magoebaskloof, rond Graskop, in de Hogsback en de Tsitsikamma. Kijk laag boven de boomkruinen en langs wegbermen, waar de vogels ook hun nestgangen graven.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd en in geschikt gebied algemeen. Profiteert plaatselijk van plantages en wegbermen, die jachtgebied en nestplaatsen bieden.

Wetenschappelijke naam

Psalidoprocne pristoptera | (Rüppell, 1840)

Rüppell beschreef de soort in 1840 als Hirundo (Chelidon) pristoptera; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Psalidoprocne werd in 1851 ingevoerd door Cabanis. Psalidoprocne komt van het Griekse psalis, 'schaar', en Procne, de in een zwaluw veranderde figuur uit de Griekse mythologie — naar de diep gevorkte staart. pristoptera komt van het Griekse pristēs, 'zaag', en pteron, 'vleugel' — naar de gekartelde rand van de buitenste handpen. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Simien, Ethiopië.