Alle soorten › Zangvogels › Vinkachtigen › Basutokanarie

Basutokanarie | Crithagra symonsi

Drakensberg Siskin | Serín del Drakensberg

De Basutokanarie is de hooggebergtetegenhanger van de Kaapse kanarie en komt alleen voor in het Drakensberg-Malutimassief van Lesotho en de aangrenzende randgebergten van Zuid-Afrika. Het is een van de kenmerkende vogels van de grassige, rotsige hellingen en dalen boven de boomgrens.

Basutokanarie (Crithagra symonsi)
Foto: Patty McGann — CC BY 2.0 · Wikimedia Commons

Geluid

De roep is een zacht sjwie, vaak in de vlucht. De zang is een zwak gekwetter van korte trillers en fluittonen, vergelijkbaar met dat van de Kaapse kanarie en de Mozambiquesijs.

Luister: ZangXC505930

Opname: Lynette Rudman — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

13 tot 14 cm, iets groter en langstaartiger dan de Kaapse kanarie. Het mannetje heeft een vaag gestreepte, lichtbruine mantel, bruine vleugeldekveren, stuit en bovenstaart, een heldergele keel en gele, naar de flanken doffere onderdelen; de kop is olijfgeel met fijne streping. De donkere staart heeft witte zijden, vooral in de vlucht goed zichtbaar; witte toppen aan de slagpennen ontbreken. Het vrouwtje is doffer bruin, zonder geel, en lichtbruin met veel fijne donkerbruine streping op kop en borst. Jonge vogels lijken op het vrouwtje.

Verwarrings­soorten

De Kaapse kanarie (Crithagra totta) heeft witte vlekjes aan de toppen van slagpennen en staartpennen, maar komt alleen in de fynbos van de Kaap voor. Vrouwtjes van de grijsnekkanarie (Serinus canicollis), die in de lagere delen van de Drakensberg leeft, hebben een groenige, gestreepte mantel en geen wit in de staart. Het vrouwtje van de geelbuikkanarie (Crithagra flaviventris) heeft een gele stuit en een lichte wenkbrauwstreep en mist de witte staartzijden.

Leefgebied

Montaan en subalpien grasland met rotsbanken, puinhellingen en struikgewas van Leucosidea, Erica en Helichrysum in beekdalen en op hellingen, meestal boven 1800 meter; ook rond veeposten en hutten. Foerageert in paren of groepjes op de grond op zaden van grassen en kruiden. Het ondiepe komnest ligt in spleten en holten in rotsen, op richels of tussen vegetatie, vaak varens. Daalt in strenge winters af naar lagere dalen.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Endemisch voor het gebied: de hooglanden van Lesotho en de aangrenzende Drakensberg-escarpement in het westen van KwaZulu-Natal, het oosten van de Vrijstaat en het noordoosten van de Oost-Kaap. Daarbuiten niet.

  • Jaarrond
  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

De Sani Pass en het plateau van Sani Top zijn de klassieke plek, samen met andere hooggebergtesoorten als de roodborstrotsspringer (Chaetops aurantius) en de bergpieper (Anthus hoeschi). Ook langs de bergwegen van Lesotho en in het Golden Gate Highlands National Park is hij te vinden. Let op de witte staartzijden van opvliegende vogels en op het zachte sjwie in de vlucht.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. Algemeen binnen zijn beperkte areaal. Overbegrazing en erosie in de hooglanden van Lesotho en klimaatopwarming, die de hooggebergtezone doet krimpen, worden als risico's gezien.

Wetenschappelijke naam

Crithagra symonsi | (Roberts, 1916)

Roberts beschreef de soort in 1916 als Spinus symonsi; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Crithagra werd in 1827 ingevoerd door Swainson. Crithagra komt van het Griekse krithē, 'gerst', en agra, 'jacht' — een 'gerstjager', naar het zaadetende dieet van deze kanaries en zaadeters. symonsi eert Roden Edward Symons (1884–1972), Zuid-Afrikaans bosbouwer, jager, wildbeheerder en verzamelaar. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Sangebetuvallei (Lesotho).