Alle soorten › Zangvogels › Rietzangers › Basrakarekiet

Basrakarekiet | Acrocephalus griseldis

Basra Reed Warbler | Carricero de Basora

De Basrakarekiet is een bedreigde, vrij grote rietzanger die broedt in de moerassen van Zuid-Irak en overwintert in Oost-Afrika. Het gebied ligt aan de zuidrand van het overwinteringsgebied: in het zuiden van Malawi en het midden van Mozambique is hij van december tot april een schaarse, onopvallende gast, verder zuidelijk een uitzonderlijke dwaalgast.

Basrakarekiet (Acrocephalus griseldis)
Foto: upandiyan — CC BY-NC 4.0 · iNaturalist

Geluid

De zang is een reeks krassende en knarsende noten, tsjerr-tsjerr-karra-tsjik, lijkend op die van de grote karekiet maar zachter, lager en minder gorgelend, zonder de hoge noten. In het overwinteringsgebied zingt hij vooral in het late seizoen. Roep een hard tsjak en een schurend tsjrr.

Luister: ZangXC640030

Opname: Gregory Askew — CC BY-NC-SA 4.0 · omgezet naar mono · xeno-canto

Herkenning

15–16 cm, slank en langgerekt, met een lange, dunne en spitse snavel, een vlak voorhoofd en een vrij lange staart. De bovendelen zijn koel grijsachtig olijfbruin, zonder warme tinten; de onderdelen zijn wit tot vuilwit, met een zwakke grijsbeige waas op de flanken. Een smalle, witte wenkbrauwstreep loopt duidelijk vóór het oog en kort erachter; de teugel is donker. De vleugels zijn lang, met een lange handpenprojectie; de poten zijn grijs. De seksen zijn gelijk. Beweegt verborgen door dichte rietkragen en ruigte en laat zich zelden goed zien.

Verwarrings­soorten

De grote karekiet Acrocephalus arundinaceus is groter en forser, met een dikkere snavel, warmere, bruinere bovendelen, beige flanken en een sterkere wenkbrauwstreep, en zingt een luid, knarsend karra-karra-kiet-kiet. De kleine karekiet Acrocephalus scirpaceus is kleiner en warmer bruin, met een kortere snavel. De Kaapse rietzanger Acrocephalus gracilirostris is warmbruin van boven, met donkere poten en een rijke, vloeiende zang, en is standvogel. De Griekse spotvogel Hippolais olivetorum is grijzer, heeft een licht vleugelpaneel en een geeloranje ondersnavel, en leeft in droog doornstruweel.

Leefgebied

Rietkragen, dichte, ruige vegetatie en struiken langs rivieren, moerassen en overstromingsvlakten in het laagland, ook in ruigte langs suikerrietvelden en in dicht struikgewas niet ver van water. Foerageert laag in de dekking op insecten.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

Binnen het gebied schaars in het zuiden van Malawi (vooral de benedenloop van de Shire, zoals het Elephant Marsh-gebied) en in het midden van Mozambique rond de benedenloop van de Zambezi; enkele meldingen uit Zimbabwe en uitzonderlijke dwaalgasten in het noordoosten van Zuid-Afrika en Botswana. Broedt in de moerassen van Zuid-Irak en het zuidwesten van Iran en overwintert in Oost-Afrika, van Somalië en Kenia via Tanzania tot Malawi en Mozambique.

  • Zomergast (ca. okt–mrt)
  • donker = kerngebied, licht = dun verspreid
Dichtheidskaart uit de waarnemingen van GBIF (2006-09-01 – 2026-08-31), geteld per hokje van 0,7° en per maand en gedeeld door alle vogelwaarnemingen in datzelfde hokje — zo telt niet mee hoeveel vogelaars er kijken. De kleurdiepte volgt dat aandeel en loopt geleidelijk af; de kaart houdt zich dus niet aan landsgrenzen. Landcontouren: Natural Earth (publiek domein).

Hoe en wanneer kijken

Van december tot april; in het gebied alleen met gericht zoeken in de riet- en ruigtezone van de lage Shirevallei in Malawi of de Zambezidelta in Mozambique. Luister naar een lage, schurende karekietzang die zwakker is dan die van de grote karekiet, en controleer elke ‘grote karekiet’ met een lange, dunne snavel en koele, grijze bovendelen; ringvangst levert de meeste zekere gevallen op.

Staat van instandhouding

Bedreigd volgens de IUCN. Het broedgebied in de Mesopotamische moerassen werd in de jaren negentig grotendeels drooggelegd; na gedeeltelijk herstel blijven droogte, dammen stroomopwaarts en nieuwe drooglegging een ernstige bedreiging. In het overwinteringsgebied speelt het verdwijnen van oevervegetatie mee.

Wetenschappelijke naam

Acrocephalus griseldis | (Hartlaub, 1891)

Hartlaub beschreef de soort in 1891 als Calamoherpe griseldis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Acrocephalus werd in 1811 ingevoerd door Naumann & Naumann. Acrocephalus is Grieks, van akros 'hoogste, spits' en kephalē 'kop'; de Naumanns, die het geslacht invoerden, noemden deze vogels Spitzkopf en vatten akros dus op als 'spits'. griseldis komt vermoedelijk van het Latijnse griseus 'grijs', maar de afleiding blijft onzeker. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Nguru in Tanzania.