Alle soorten › Zangvogels › Leeuweriken › Angolese leeuwerik

Angolese leeuwerik | Amirafra angolensis

Angola Lark | Alondra Angoleña

De Angolese leeuwerik is een forse, zwaar gestreepte leeuwerik van de open graslanden en dambo's op het plateau van Angola en noordwestelijk Zambia. Hij lijkt op een donkere roodnekleeuwerik zonder kuif en is binnen het gebied beperkt tot het uiterste noordwesten. Er is weinig over bekend.

Van deze soort bestaat geen foto van een levende wilde vogel met een geschikte Creative Commons-licentie. Heb je er een die aan de regels voldoet? Stuur hem in.

Geluid

Korte, heldere fluitstrofen van enkele tonen, gegeven van een termietenheuvel, een graspol of een laag struikje, en in een korte zangvlucht boven het grasland. De zang is slecht gedocumenteerd; de vogel zingt vooral in het regenseizoen.

Voor deze soort is nog geen opname met een geschikte Creative Commons-licentie beschikbaar.

Herkenning

17–18 cm. Groot en zwaar gebouwd, met een stevige, iets gebogen snavel en een korte staart. De bovendelen zijn roodbruin met brede zwartachtige streping; de wenkbrauwstreep is lichtbeige. De vleugels zijn helder roodbruin en vallen in de vlucht sterk op. De keel is wit, de borst warm beige met zware donkere druppelvlekken en strepen, de buik lichter. Er is geen duidelijke kuif. De sexen zijn gelijk.

Verwarrings­soorten

De roodnekleeuwerik Corypha africana is iets kleiner, heeft een roodbruine nek en een opzetbaar kuifje, en zingt een fluitend tsie-tsioe; hij leeft meer in bosrand en open bosveld. De ratelleeuwerik Amirafra rufocinnamomea is kleiner, fijner gestreept op de borst en klappert in de zangvlucht met de vleugels. De kaneelpieper Anthus cinnamomeus is slanker, met een dunne snavel en witte buitenste staartpennen.

Leefgebied

Open, vaak seizoensgebonden natte graslanden op het hoogplateau: dambo's, brede graslandvlakten tussen miombo en de randen van moerassige laagten, meestal met kort tot middelhoog gras en verspreide termietenheuvels.

Waar de vogel het meest zit, ingedeeld naar de vegetatie-eenheden van zuidelijk Afrika.

Verspreiding en trek

In het gebied: het centrale plateau en het oosten van Angola (onder meer Huambo, Bié, Malanje en Moxico) en het noordwesten van Zambia (Mwinilunga en de bovenloop van de Zambezi). Daarbuiten alleen in het zuidoosten van Congo-Kinshasa en het zuidwesten van Tanzania.

Hoe en wanneer kijken

Het best in het regenseizoen (november–maart) als de mannetjes zingen. De graslanden rond Mwinilunga in Zambia en de hoogvlakten bij Huambo in Angola zijn de meest bereikbare plekken. Zoek termietenheuvels en graspollen af op een grote, donker gestreepte leeuwerik met felrode vleugels in de vlucht.

Staat van instandhouding

Niet bedreigd. De soort heeft een beperkt maar vrij groot areaal en is plaatselijk algemeen. Omzetting van grasland in akkers en te frequente branden kunnen plaatselijk schade doen, maar er zijn geen aanwijzingen voor een sterke achteruitgang. De soort is weinig onderzocht.

Wetenschappelijke naam

Amirafra angolensis | (Bocage, 1880)

Bocage beschreef de soort in 1880 als Mirafra angolensis; omdat ze later in een ander geslacht is geplaatst, staan auteur en jaartal tussen haakjes. Het geslacht Amirafra werd in 1906 ingevoerd door Bianchi. Amirafra combineert het Griekse ontkennende voorvoegsel a-, 'niet', met het geslacht Mirafra — leeuweriken die niet (meer) tot Mirafra worden gerekend. angolensis betekent 'uit Angola', waar het eerste exemplaar werd verzameld. Het eerst beschreven exemplaar kwam uit Caconda, Angola.